ECLI:NL:PHR:2010:BM7003
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt wijziging partneralimentatie na echtscheiding
Partijen zijn in 1967 gehuwd en in 1994 gescheiden. De man was verplicht tot betaling van partneralimentatie aan de vrouw, die in 2004 door het hof Arnhem werd vastgesteld op €3.025 per maand, met wettelijke indexering tot €3.219,88 in 2007. De man verzocht om verlaging van deze bijdrage, waarop de rechtbank in 2008 een bedrag van €3.075 per maand vaststelde, maar het hof Arnhem wijzigde dit in 2009 naar het feitelijk betaalde bedrag tot die datum en daarna €2.370 per maand.
De vrouw stelde cassatieberoep in met drie klachten: het buiten beschouwing laten van een pensioenuitkering van de man, het meenemen van lijfrente-uitkeringen van de vrouw bij de behoeftebepaling, en het oordeel over de vermeende toegenomen medische kosten en het rendement op vermogen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht de draagkracht van de man niet exact hoefde te berekenen, maar alleen de behoefte van de vrouw vaststelde, waarbij rekening werd gehouden met haar lijfrente-uitkeringen.
Verder was het aan de vrouw om haar verhoogde behoefte door medische kosten aannemelijk te maken, wat zij niet deed. Ten slotte was het oordeel van het hof over het rendement op vermogen feitelijk en niet onbegrijpelijk, en was er geen sprake van een verrassingsbeslissing. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen en de wijziging van de partneralimentatie door het hof Arnhem wordt bevestigd.