ECLI:NL:PHR:2010:BM7003

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/00476
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt wijziging partneralimentatie na echtscheiding

Partijen zijn in 1967 gehuwd en in 1994 gescheiden. De man was verplicht tot betaling van partneralimentatie aan de vrouw, die in 2004 door het hof Arnhem werd vastgesteld op €3.025 per maand, met wettelijke indexering tot €3.219,88 in 2007. De man verzocht om verlaging van deze bijdrage, waarop de rechtbank in 2008 een bedrag van €3.075 per maand vaststelde, maar het hof Arnhem wijzigde dit in 2009 naar het feitelijk betaalde bedrag tot die datum en daarna €2.370 per maand.

De vrouw stelde cassatieberoep in met drie klachten: het buiten beschouwing laten van een pensioenuitkering van de man, het meenemen van lijfrente-uitkeringen van de vrouw bij de behoeftebepaling, en het oordeel over de vermeende toegenomen medische kosten en het rendement op vermogen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht de draagkracht van de man niet exact hoefde te berekenen, maar alleen de behoefte van de vrouw vaststelde, waarbij rekening werd gehouden met haar lijfrente-uitkeringen.

Verder was het aan de vrouw om haar verhoogde behoefte door medische kosten aannemelijk te maken, wat zij niet deed. Ten slotte was het oordeel van het hof over het rendement op vermogen feitelijk en niet onbegrijpelijk, en was er geen sprake van een verrassingsbeslissing. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen en de wijziging van de partneralimentatie door het hof Arnhem wordt bevestigd.

Conclusie

10/00476
Mr. P. Vlas
Parket, 2 juni 2010
Conclusie inzake:
[De vrouw]
(hierna: de vrouw)
tegen
[De man]
(hierna: de man)
Deze zaak die betrekking heeft op de vaststelling van een (gewijzigde) bijdrage in de kosten van levensonderhoud, leent zich voor een verkorte conclusie.
1. Voor de feiten van de zaak wordt verwezen naar rov. 3.1 t/m 3.9 van de bestreden beschikking van 10 november 2009 van het gerechtshof te Arnhem. Partijen zijn op 27 november 1967 met elkaar gehuwd. Bij vonnis van 27 januari 1994 heeft de rechtbank Arnhem de echtscheiding tussen hen uitgesproken, welk echtscheidingsvonnis op 3 juni 1994 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij beschikking van 27 juli 2004 van het hof Arnhem is de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw laatstelijk gewijzigd, in die zin dat de man aan de vrouw met ingang van 1 februari 2003 € 3.025 per maand zal betalen. Deze bijdrage bedroeg ingevolge de wettelijke indexering met ingang van 1 januari 2007 € 3.219,88.
2. De man heeft de rechtbank Arnhem verzocht de bij voornoemde beschikking van 27 juli 2004 vastgestelde bijdrage te wijzigen in die zin dat deze wordt verminderd tot € 2.187,21 per maand, met ingang van 23 november 2007. Bij beschikking van 5 augustus 2008 heeft de rechtbank de door de man te betalen alimentatie met ingang van 1 december 2007 gesteld op € 3.075 per maand. De man is van deze beschikking in hoger beroep gekomen. Bij beschikking van 10 november 2009 heeft het hof Arnhem, onder vernietiging van de beschikking van de rechtbank van 5 augustus 2008 en wijziging van 's hofs beschikking van 27 juli 2004, de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw over de periode van 1 november 2007 tot 10 november 2009 gesteld op hetgeen de man feitelijk heeft betaald dan wel op hem is verhaald en met ingang van 10 november 2009 op € 2.370 per maand.
3. Het tijdig door de vrouw ingestelde cassatieberoep bevat drie klachten. De eerste klacht (cassatieverzoekschrift onder 10.2 en 10.3) klaagt dat het hof in rov. 3.8 ten onrechte een pensioenuitkering uit eigen voorziening (uit de pensioen-BV van de man) aan de man buiten beschouwing heeft gelaten en niet blijkt hoe het hof die (extra) draagkracht in zijn oordeel heeft betrokken. Voorts wordt erover geklaagd dat het hof bij de bepaling van de behoefte van de vrouw in rov. 4.10 ten onrechte de inkomsten van de vrouw uit een tweetal lijfrente-uitkeringen heeft meegeteld, waardoor een potentiële ongelijkheid in de wederzijdse situaties ontstaat (meer draagkracht van de man door het buiten beschouwing laten van de uitkering uit zijn pensioen-BV tegenover minder behoefte aan de zijde van de vrouw als gevolg van de door haar ontvangen lijfrente-uitkeringen). Nu het hof de pensioenvoorziening van de man buiten beschouwing heeft gelaten dient dat, aldus de klacht, tevens te gelden voor de lijfrente-uitkeringen van de vrouw, nu die uitkeringen in beginsel ook als een (directe) pensioenvoorziening moeten worden aangemerkt.
4. Over deze klacht merk ik het volgende op. Het hof heeft in rov. 4.12 de vraag of de man voldoende draagkracht heeft om de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te voldoen, bevestigend beantwoord. Anders dan de klacht veronderstelt, behoefde het hof de draagkracht van de man dan ook niet exact te berekenen. Het hof diende uitsluitend de omvang van de behoefte van de vrouw vast te stellen. In dat verband heeft het hof terecht rekening gehouden met (onder meer) de omstandigheid dat de vrouw met ingang van 1 juli 2009 twee lijfrente-uitkeringen ontvangt. Het oordeel van het hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, zodat de klacht faalt.
5. De tweede klacht (cassatieverzoekschrift onder 10.4 en 10.5) is gericht tegen het oordeel van het hof dat de vrouw haar stelling dat haar behoefte is toegenomen als gevolg van medische kosten in verband met haar verslechterende gezondheidstoestand, niet nader heeft onderbouwd, zodat de grief van de vrouw faalt (rov. 4.7). De klacht wijst in dit verband op hetgeen de vrouw over haar fysieke (medische) situatie heeft gesteld in eerste aanleg (verweerschrift onder 30 t/m 33; prod. 8 bij verweerschrift) alsmede in haar incidentele grief in hoger beroep (onder 33). Aldaar heeft de vrouw nogmaals gewezen op de toegenomen ziektekosten en gemeld dat zij 'bij de mondelinge behandeling (...) zulks nog nader en opnieuw (zal) adstrueren'. Geklaagd wordt dat het oordeel van het hof in het licht van deze stellingen een verrassingsoordeel is, nu niet blijkt dat en hoe het hof terzake heeft doorgevraagd.
6. Deze klacht miskent dat het op de weg van de vrouw lag haar stelling aannemelijk te maken dat haar behoefte is toegenomen als gevolg van medische kosten. De vrouw heeft zulks in eerste aanleg slechts gesteld, maar niet nader onderbouwd (bijv. door overlegging van facturen of bankafschriften). De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij behoefte heeft aan een hoger bedrag (rov. 7 van de beschikking van 5 augustus 2008). Ook in hoger beroep heeft de vrouw haar stelling - ondanks de toezegging in haar incidentele grief - niet nader onderbouwd. Het lag bij deze stand van zaken niet op de weg van het hof om de vrouw terzake nader te ondervragen (vgl. bijv. HR 2 februari 1996, LJN ZC1983, NJ 1996, 569, rov. 3.2). Van een verrassingsbeslissing is geen sprake. De klacht faalt.
7. De derde klacht klaagt dat het hof in rov. 4.9 bij de vaststelling van de inkomsten uit vermogen aan de zijde van de vrouw ten onrechte een in redelijkheid te behalen jaarrendement van 4% in zijn oordeel betrekt, terwijl (als gevolg van de economische crisis) een dergelijk rendement ten minste sedert 2008 niet meer haalbaar is. De (verdere) becijferingen van het hof zijn dan ook gebaseerd op gronden die deze niet kunnen dragen. Bovendien blijkt niet dat het hof dit heeft teruggekoppeld naar de vrouw, zodat tevens sprake is van een verrassingsoordeel.
8. Ook deze klacht faalt, nu het oordeel van het hof omtrent de vaststelling van de rente-inkomsten van de vrouw uit vermogen en het daarbij te hanteren jaarrendement van 4% in hoge mate feitelijk van aard en niet onbegrijpelijk is. Van een verrassingsbeslissing is geen sprake, gelet op het door partijen over de vermogensinkomsten van de vrouw gevoerde debat (beroepschrift onder 7 en 8; verweerschrift in appel onder 24).
9. De middelen nopen niet tot de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
10. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G