ECLI:NL:PHR:2010:BM7046

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/01011
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 FaillissementswetArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verzoek toelating schuldsaneringsregeling bij verslavingsprobleem onder controle

In deze zaak stond de vraag centraal of de verzoeker, die een verslavingsprobleem had, toch kon worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling ondanks dat goede trouw onvoldoende aannemelijk was geworden. De verzoeker stelde dat hij zijn alcohol- en gokverslaving onder controle had en al twee jaar niet meer dronk of gokte.

De rechtbank had het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling afgewezen omdat niet aannemelijk was dat de verzoeker te goeder trouw was geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden, en omdat onvoldoende aannemelijk was dat hij zijn verplichtingen uit de regeling zou nakomen. Het hof bekrachtigde dit oordeel en oordeelde dat de stellingen van de verzoeker onvoldoende waren onderbouwd.

In cassatie werd alleen aangevoerd dat het hof de stelling dat de verslaving onder controle was, had moeten opvatten als een beroep op de uitzondering in art. 288 lid 3 Faillissementswet Pro, die in uitzonderlijke gevallen toelating mogelijk maakt ondanks onvoldoende aannemelijkheid van goede trouw. De Hoge Raad oordeelde dat deze uitzondering slechts in uitzonderingsgevallen geldt en dat de verzoeker onvoldoende had onderbouwd dat aan de voorwaarden was voldaan.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bekrachtigde het oordeel van het hof. De motivering van het hof voldeed aan de vereisten gezien het minimale betoog van de verzoeker. De verzoeker werd niet toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de weigering tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt bekrachtigd.

Conclusie

Zaaknr. 10/01011
Mr. Huydecoper
Parket, 4 juni 2010
Conclusie inzake
[Verzoeker]
verzoeker tot cassatie
1. Het gaat in deze zaak om de bekrachtiging, in hoger beroep, van de weigering tot toelating van de verzoeker tot cassatie, [verzoeker], tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Ik denk dat de cassatieklachten ondeugdelijk zijn; dat die klachten geen vragen aan de orde stellen die met het oog op de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling een antwoord behoeven; en dat die klachten ook overigens van dien aard zijn dat met een verkorte conclusie kan worden volstaan.
2. Het door [verzoeker] in de eerste aanleg gedane verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling werd in die instantie afgewezen op gronden die ik aldus samenvat, dat onvoldoende aannemelijk was geworden dat [verzoeker] bij het aangaan en/of onbetaald laten van zijn schulden te goeder trouw te werk was gegaan; en (daarnaast) dat onvoldoende aannemelijk werd geacht dat [verzoeker] zijn verplichtingen uit hoofde van de schuldsanering zou nakomen, en wel omdat onvoldoende aannemelijk was dat hij, [verzoeker], een verslavingsprobleem (alcohol- en gokverslaving) onder controle had.
3. In appel werden beide gronden voor het in de eerste aanleg gegeven oordeel bestreden (met een tot het minimum beperkte onderbouwing)(1). Wat betreft de verslaving werd slechts aangevoerd dat [verzoeker] zijn verslaving wel onder controle zou hebben en dat hij al sinds twee jaar geen alcohol meer dronk en niet meer gokte(2).
Het hof bekrachtigde het oordeel van de rechtbank. Het onderzocht daarbij eerst de namens [verzoeker] aangevoerde grieven tegen het oordeel dat goede trouw onvoldoende aannemelijk zou zijn geworden. Die werden ongegrond geoordeeld. Die bevinding leidde tot de bekrachtiging van het vonnis van de eerste aanleg.
4. In cassatie wordt niet opgekomen tegen 's hofs oordeel over de niet aannemelijk geworden goede trouw. Er wordt (alleen) aangevoerd dat het hof de stelling dat [verzoeker] al twee jaar geen alcohol meer dronk en niet meer gokte, had moeten opvatten als een (impliciet) beroep op de in art. 288 lid 3 Fw Pro geboden mogelijkheid om in weerwil van onvoldoende aannemelijk geworden goede trouw, de aanvrager die de oorzaken van zijn schuldenprobleem onder controle heeft toch tot de schuldsanering toe te laten.
5. Deze klacht behoort volgens mij om meer dan een reden niet te slagen.
Ten eerste geldt het uitleggen van de door partijen in de "feitelijke" instanties betrokken stellingen en standpunten als voorbehouden aan de rechters van die instanties(3). Het hof heeft klaarblijkelijk de hier aangehaalde stellingen van de kant van [verzoeker] niet zo opgevat als thans in cassatie wordt voorgestaan. Alleen al het feit dat in cassatie wordt aangevoerd dat de desbetreffende stelling "impliciet" strekte tot toepassing van art. 288 lid 3 Fw Pro, maakt duidelijk dat men die stelling ook geredelijk anders kan opvatten; en dat 's hofs feitelijke oordeel waarbij die stelling - kennelijk - inderdaad anders is opgevat, dus niet onbegrijpelijk (maar, integendeel, bij uitstek begrijpelijk) is.
6. Ten tweede geldt dat toepassing van art. 288 lid 3 Fw Pro, naar pleegt te worden aangenomen, alleen in uitzonderingsgevallen in aanmerking komt - gevallen waarin het volgen van de "hoofdregel" wegens de "hardheid" daarvan behoort te worden afgewezen(4); en dat van de schuldenaar mag worden verwacht dat deze (door voldoende duidelijke stellingen en onderbouwing daarvan) er wezenlijk aan bijdraagt dat aannemelijk wordt dat aan de voorwaarden voor toepassing van deze bepaling voldaan is(5).
Hier was, zoals al even bleek, van onderbouwing van het betoog dat [verzoeker] zijn verslavingsprobleem onder controle had niet in enige noemenswaardige mate sprake. Dat betoog schoot daardoor ten opzichte van de beide zojuist genoemde regels tekort.
7. Bij een minimum aan onderbouwing, zoals dat hier was aangevoerd, kunnen ook aan de motivering van het oordeel van de rechter geen hoge eisen worden gesteld(6). De motiveringsklacht die het middel mede inhoudt gaat al daarom niet op.
Conclusie
Ik concludeer tot verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
1 De enige klacht uit het appelrekest luidt, voluit:
"Cliënt is wel te goeder trouw geweest ten aanzien van het ontstaan en het onbetaald laten van zijn schulden. Daarnaast heeft cliënt zijn alcohol- en gokprobleem wel onder controle en zal hij volledige medewerking verlenen aan de uit de regeling voortvloeiende verplichtingen."
2 Het laatstgenoemde gegeven - dat [verzoeker] al sinds twee jaar niet meer zou gokken en drinken - wordt in het appelrekest (dus) niet vermeld. Een eenregelige aantekening uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling laat zien dat het gegeven daar wel ter sprake is gekomen.
3 HR 23 april 2010, LJN BL4084, rov.3.4.2; HR 16 april 2010, RvdW 2010, 214, rov. 3.6.2; HR 9 april 2010, NJ 2010, 214, rov. 3.3.1; HR 26 maart 2010, NJ 2010, 189, rov. 4.1.2; HR 12 maart 2020, RvdW 2010, 416, rov. 3.6; Asser Procesrecht/Veegens - Korthals Altes - Groen, 2005, nrs. 103, 121, 169; Ras-Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2004, nr. 40.
4 Wessels, Insolventierecht Deel IX, 2009, nr.9067o; Noordam, WSNP en goede trouw, 2008, p. 305; zie ook de beschouwingen van de Minister in de Eerste Kamer, Handelingen 2007 EK 30, p. 30-958 r.k.
5 Faillissementswet (losbl.), Lammers, art. 288, aant. 11.3; Wessels, Insolventierecht Deel IX, 2009, nr. 9066m, nr. 9067o en q; alinea 2.5.5. van de conclusie van A - G Rank-Berenschot voor HR 20 maart 2009, RvdW 2009, 444; mogelijk anders: Van Buchem-Spapens - Pouw, Faillissement, surseance van betaling en schuldsanering, 2008, p. 135.
6 Wessels, Insolventierecht Deel IX, 2009, nr. 9066m, met verdere verwijzingen.