ECLI:NL:PHR:2010:BM7046
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek toelating schuldsaneringsregeling bij verslavingsprobleem onder controle
In deze zaak stond de vraag centraal of de verzoeker, die een verslavingsprobleem had, toch kon worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling ondanks dat goede trouw onvoldoende aannemelijk was geworden. De verzoeker stelde dat hij zijn alcohol- en gokverslaving onder controle had en al twee jaar niet meer dronk of gokte.
De rechtbank had het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling afgewezen omdat niet aannemelijk was dat de verzoeker te goeder trouw was geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden, en omdat onvoldoende aannemelijk was dat hij zijn verplichtingen uit de regeling zou nakomen. Het hof bekrachtigde dit oordeel en oordeelde dat de stellingen van de verzoeker onvoldoende waren onderbouwd.
In cassatie werd alleen aangevoerd dat het hof de stelling dat de verslaving onder controle was, had moeten opvatten als een beroep op de uitzondering in art. 288 lid 3 Faillissementswet Pro, die in uitzonderlijke gevallen toelating mogelijk maakt ondanks onvoldoende aannemelijkheid van goede trouw. De Hoge Raad oordeelde dat deze uitzondering slechts in uitzonderingsgevallen geldt en dat de verzoeker onvoldoende had onderbouwd dat aan de voorwaarden was voldaan.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bekrachtigde het oordeel van het hof. De motivering van het hof voldeed aan de vereisten gezien het minimale betoog van de verzoeker. De verzoeker werd niet toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de weigering tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt bekrachtigd.