1 In de appelprocedure was ook een verzoek van [verweerster] om voorlopige voorzieningen aan de orde. Dat verzoek werd afgewezen. Deze beslissing wordt in cassatie niet aangevochten.
2 De beschikking van het hof is van 9 juni 2009. Het cassatierekest is op 9 september 2009 ingekomen.
3 Appelrekest, alinea 8, verwijzend naar Bijlage B. Deze bijlage is niet zo makkelijk te vinden. In het partijdossier heb ik deze met een "sticker" aangegeven.
4 Verweerschrift in appel, alinea's 44 - 58.
5 Zie Hof Den Bosch 26 januari 2010, rechtspraak.nl LJN BL0653, rov. 3.6.4 e.v.
6 Daarmee wordt bedoeld de forfaitaire bepaling van de behoefte naar rato van 60% van het netto gezinsinkomen in de laatste huwelijksjaren, - de werkwijze die, in de eerder door mij verdedigde opvatting, in het algemeen niet beantwoordt aan de door de Hoge Raad in de beschikking van 19 december 2003 voorgehouden manier van vaststelling.
7 Appelrekest, alinea 8.
8 De klacht van onderdeel 1.5 die ertoe strekt dat het hof de feitelijke grondslag van [verweerster]s verzoek zou hebben aangevuld, lijkt mij daarentegen ongegrond. Namens [verweerster] werd in appel met nadruk bepleit dat het hof de "60%-formule" zou hanteren. In het in dat verband betoogde kon het hof voldoende feitelijke grondslag vinden. Ik herinner er aan dat de uitleg van partijstelllingen aan de "feitelijke" instanties is voorbehouden.
9 Het rapport van de Werkgroep Alimentatienormen van de NVvR, versie 2009, par. 3.1 (slotalinea) noemt de "60%-norm" als bruikbaar voor "standaardgevallen" (als hoedanig ik het in deze zaak te beoordelen geval overigens niet aanmerk). Waarom die norm hier wordt aanbevolen wordt echter, wat mij betreft, niet overtuigend onderbouwd.
Zie voor verdere gegevens bijvoorbeeld alinea 6 van de conclusie van A - G Strikwerda voor HR 13 februari 2009, rechtspraak.nl LJN BG6232.
10 Asser - De Boer (2006), nr. 619; HR 19 oktober 2007, NJ 2007, 563, rov. 3.2.
11 Bijwege van illustratie: HR 12 mei 2006, NJ 2006. 293, rov. 3.4.2.
12 T&C Burgerlijk Wetboek Boeken 1, 2, 3, 4 en 5, Koens, 2009, art. 1:157, aant. 4; Asser - De Boer, 2006, nr. 830; Keijser, Handleiding bij scheiding, 2003, p. 148
13 HR 29 september 2006, NJ 2006, 535, rov. 3.4.2; HR 3 oktober 1997, NJ 1998, 32, rov. 3.3; Dorn - De Bruijn-Lückers, Mon. (Echt)scheidingsrecht 4a, Alimentatieverplichtingen, 2010, p. 60 - 62.
14 HR 4 december 1998, NJ 1999, 675 m.nt. JBMV, rov. 3.6; zie ook HR 12 mei 2006, NJ 2006. 293, rov. 3.3.3..
15 O.a. dat voor de therapie waarvoor zij gedeeltelijk zou zijn opgeleid maar een beperkte belangstelling bestaat; dat haar opleiding zodanig is onderbroken dat dat tot intrekking van haar registratie heeft geleid; én dat zij als gevolg van persoonlijke problemen (waaronder de huwelijksmoeilijkheden) geruime tijd niet in staat is geweest haar zaken naar behoren te behartigen - wat allicht ook haar mogelijkheden om in de praktijk werkzaam te zijn ongunstig heeft beïnvloed; zie het appelrekest, alinea's 5 - 7, 10 en 13.
16 Volgens alinea 67 van het verweerschrift in appel was [verweerster] toen "nog geen vijftig jaar oud". Verdere verwijzingen naar de leeftijd van de betrokkenen heb ik niet aangetroffen. Het gaat hier overigens om een alleszins terloops ter sprake gebracht "sub-argument", dat het hof al daarom niet tot nadere respons noopte.