ECLI:NL:PHR:2010:BM7149
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende aannemelijkheid goede trouw en nakoming verplichtingen
De zaak betreft een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (WSNP) door verzoekster. De rechtbank wees het verzoek af en het Hof 's-Gravenhage bekrachtigde dit vonnis op grond van twee zelfstandige gronden. Ten eerste oordeelde het Hof dat onvoldoende aannemelijk is dat verzoekster te goeder trouw is geweest met betrekking tot het ontstaan en het onbetaald laten van een belangrijk deel van haar schulden, zoals bedoeld in artikel 288 lid 1 aanhef Pro en onder b Faillissementswet (Fw).
Ten tweede stelde het Hof dat onvoldoende duidelijk is dat verzoekster de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen. Dit betreft onder meer het zich inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven en het nakomen van algemene verplichtingen zoals budgetbeheer. Het Hof wees erop dat verzoekster eigen beweging het budgetbeheer had beëindigd, wat de aannemelijkheid van nakoming ondermijnt.
In cassatie werd betoogd dat het Hof ten onrechte niet aannam dat verzoekster maandelijks een bedrag aflost op een schuld die uit een misdrijf voortvloeit. Dit verweer werd verworpen omdat het Hof dit niet heeft aangenomen en de overige klachten onvoldoende belang hadden. De conclusie van de Advocaat-Generaal was dan ook dat het cassatieberoep moet worden verworpen met toepassing van artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van goede trouw en nakoming van verplichtingen.