ECLI:NL:PHR:2010:BM7456

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/02830
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 346 lid 1 SvArt. 361 SvArt. 415 SvArt. 421 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest Hof wegens onjuiste beslissing op vordering benadeelde partij en overschrijding redelijke termijn

Verdachte is op 16 juni 2008 door het Hof Amsterdam veroordeeld en is tevens gedeeltelijk toegewezen in de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. Namens verdachte is cassatie ingesteld tegen deze beslissing.

De Hoge Raad constateert dat de benadeelde partij zich niet rechtsgeldig in hoger beroep heeft gevoegd, omdat de vordering in eerste aanleg niet ten dele was toegewezen en geen voegingsformulier is overgelegd. Het Hof heeft daarom onterecht op de vordering beslist. Daarnaast is gebleken dat de benadeelde partij door miscommunicatie te laat verscheen, waardoor het Hof had moeten besluiten het onderzoek te hervatten om de vordering en de verweren van verdachte te kunnen behandelen.

Verder heeft de Hoge Raad vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden, wat aanleiding geeft tot strafvermindering. De Hoge Raad beveelt vernietiging van het arrest voor wat betreft de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, met terugwijzing naar het Hof voor hernieuwde behandeling. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen.

Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling van de vordering van de benadeelde partij en de strafoplegging.

Conclusie

Nr. 08/02830
Mr. Vellinga
Zitting: 8 juni 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is op 16 juni 2008 door het Gerechtshof te Amsterdam veroordeeld tot straf als in het arrest vermeld. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en voor dat bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. Namens verdachte heeft mr. F.J.E. Hogewind, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Bij de aan de Hoge Raad op voet van art. 434 lid 1 Sv Pro toegezonden stukken bevindt zich geen voegingsformulier in hoger beroep als bedoeld in art. 51b Sv. De vordering van de benadeelde partij is in eerste aanleg niet ten dele toegewezen, zodat deze op grond van het bepaalde in art. 421 lid 2 Sv Pro in hoger beroep niet van rechtswege voortduurt. Nu de gedingstukken niets inhouden waaruit blijkt dat de benadeelde partij de vordering in hoger beroep heeft willen handhaven, noch daarvan blijkt uit diens verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep (art. 421 lid 3 juncto Pro 51b lid 2 Sv), heeft het Hof ten onrechte op de vordering van de benadeelde partij beslist.
4. Het middel slaagt.
5. Overigens houdt het bestreden arrest in dat de benadeelde partij in kennis is gesteld van de terechtzitting in hoger beroep, maar vanwege miscommunicatie tussen de bode en het Hof te laat in de rechtszaal is verschenen. Gelet op deze gang van zaken had het op de weg van het Hof gelegen het onderzoek te hervatten (art. 346 lid 1 Sv Pro) teneinde na te gaan of de benadeelde partij, die zich volgens het Hof in het onderhavige strafproces had gevoegd maar van wie de vordering in eerste aanleg niet aan de orde was geweest en die kennelijk in hoger beroep wel was verschenen, de vordering wilde handhaven en in dat geval de verdachte in de gelegenheid te stellen zich over die vordering van de benadeelde partij uit te laten.
6. Nu het Hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij in hoger beroep wel was verschenen en in het oordeel van het Hof besloten ligt dat de benadeelde partij zich in hoger beroep heeft willen voegen overeenkomstig het bepaalde in art. 421 lid 3 juncto Pro 51b lid 2 Sv, kan in mijn ogen niet worden volstaan met vernietiging van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij maar dient de zaak te worden teruggewezen naar het Hof teneinde de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen zich alsnog te voegen en, indien de benadeelde partij zich inderdaad voegt in het geding in hoger beroep, de verdachte in de gelegenheid te stellen zich tegen de vordering te verweren.
7. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Verdachte heeft op 26 juni 2008 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat sedertdien meer dan vierentwintig maanden zijn verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering.
8. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf.
10. Deze conclusie strekt voorts tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel, en in zoverre terugwijzing naar het Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.
11. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG