ECLI:NL:PHR:2010:BM8052

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/00597 B
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:86 BWArt. 94 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt teruggave gestolen steigermaterialen aan rechthebbende

De Rechtbank 's-Hertogenbosch verklaarde het klaagschrift tegen de mededeling van de officier van justitie ongegrond, waarin werd aangekondigd de in beslag genomen steigermaterialen aan een derde, de rechthebbende, terug te geven.

De klager, een eenmansbedrijf in de aan- en verkoop van steigermaterialen, had de materialen gekocht van een particulier en voerde aan te goeder trouw te zijn, waardoor hij bescherming zou genieten op grond van artikel 3:86 lid 1 BW Pro. De rechtbank oordeelde echter dat de materialen gestolen waren van het bedrijf [A] BV, dat als rechthebbende moest worden beschouwd.

De Hoge Raad bevestigt dat de rechtbank de juiste maatstaf heeft gehanteerd en dat de uitzondering van artikel 3:86 lid 3 onder Pro a BW niet van toepassing is. Het cassatieberoep faalt omdat klager onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw was, mede omdat hij niet handelde als erkende handelaar en niet op de hoogte was van de onregelmatigheden aan het materiaal.

De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt de teruggave van de steigermaterialen aan de rechthebbende, waarmee het beslagrecht en de bescherming van eigendom worden gehandhaafd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de steigermaterialen worden teruggegeven aan de rechthebbende.

Conclusie

Nr. 09/00597 B
Mr. Machielse
Zitting 8 juni 2010
Conclusie inzake:
[Klager]
De Rechtbank 's-Hertogenbosch heeft op 31 oktober 2008 het klaagschrift tegen de mededeling van de officier van justitie, inhoudende diens voornemen om over te gaan tot teruggave van de onder klager in beslag genomen steigermaterialen aan een derde, ongegrond verklaard.
Mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.
Volgens de steller van het middel heeft de rechtbank een onjuiste maatstaf gebruikt. Onvoldoende zou kunnen blijken dat de in beslag genomen steigermaterialen door diefstal waren ontvreemd. Daarom is artikel 3:86 lid 1 BW Pro van toepassing en had het inbeslaggenomene aan klager, die te goede trouw was, moeten worden teruggegeven.
De beschikking van de rechtbank houdt het volgende in:
"De beoordeling
Het klaagschrift is tijdig ingediend, immers binnen veertien dagen na dagtekening van voormelde mededeling.
Bij klaagschrift en tijdens de behandeling van het klaagschrift heeft klager - kort gezegd - aangevoerd dat hij de in beslaggenomen bouwmaterialen, meer specifiek steigerelementen van het merk Layher na een advertentie op internet te goeder trouw heeft gekocht van [betrokkene 1]. Klager heeft ter onderbouwing aangegeven dat hij een hoger bedrag heeft betaald voor de materialen dan in het dossier is opgenomen en heeft ter ondersteuning van zijn stelling tijdens de behandeling in raadkamer inzage verstrekt in zijn eigen administratie. Klager heeft aangevoerd dat [betrokkene 1] hem heeft verteld dat hij bij zijn vader in een voegbedrijf werkt, dat zij daarvoor zelf steigers aanschaffen en dat zij het teveel aan materiaal daarna weer verkopen. Klager heeft voorts aangevoerd dat hij een eenmansbedrijf in de aan- en verkoop van steigermaterialen heeft, maar dat hij normaliter niet handelt in materiaal van het merk Layher. Hij wist derhalve niet dat de aangebrachte kleurcoderingen en stickers op het materiaal niet standaard waren. Klager was hoogst verbaasd toen hij van de politie vernam dat het door hem gekochte materiaal bleek te zijn weggenomen bij het bedrijf [A] BV. Door de raadsman van klager is aangevoerd dat klager te goeder trouw heeft gehandeld, waardoor hem een beroep op artikel 3:86 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek toekomt. De raadsman van klager stelt zich voorts op het standpunt dat nu in deze fase van het geding nog niet onomstotelijk is komen vast te staan dat de materialen van diefstal afkomstig zijn, de hoofdregel van artikel 3:86 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek van toepassing is en men niet toekomt aan de in lid 3 van dat artikel gestelde uitzondering.
De rechtbank is van oordeel, dat op grond van de stukken geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat de onder klager inbeslaggenomen bouwmaterialen de materialen zijn die bij het bedrijf [A] BV werden ontvreemd. Uit het verhandelde in de openbare raadkamer en de voorhanden zijnde stukken is genoegzaam gebleken dat [A] BV thans nog altijd eigenaar is van de bouwmaterialen als hiervoor vermeld.
De rechtbank stelt vast dat klager aldus gestolen bouwmaterialen heeft gekocht, van een ander dan van de eigenaar. Nu klager de materialen van een particulier heeft gekocht en niet van een erkende handelaar komt klager geen beroep op derdenbescherming toe. Mitsdien kan de rechtbank geen enkel recht van klager op de materialen vaststellen.
In het licht van het voorgaande komt de rechtbank de teruggave van de bouwmaterialen aan [A] BV als rechthebbende op het eerste gezicht dan ook alleszins redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord voor.
Zij zal derhalve het beklag ongegrond verklaren."
Voor de beoordeling van de klacht is van belang dat het hier gaat om onder de klager op de voet van artikel 94 Sv Pro inbeslaggenomen voorwerpen. In een geval als het onderhavige dient de rechtbank
a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en zo neen,
b. de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van die voorwerpen moet worden beschouwd.(1)
In haar overwegingen heeft de rechtbank voldoende tot uitdrukking gebracht dat [A] BV redelijkerwijs als rechthebbende dient te worden beschouwd. Voorts heeft de rechtbank aangenomen dat het materiaal inderdaad bij die rechthebbende is gestolen. Tot slot heeft de rechtbank vastgesteld dat klager een eenmansbedrijf heeft in de aan- en verkoop van steigermateriaal. Of de rechtbank terecht heeft aangenomen dat het materiaal bij de derde is gestolen onttrekt zich aan de toetsing in cassatie. Voorts kan uit de vaststelling van de rechtbank niet anders dan de conclusie worden getrokken dat klager heeft gehandeld in de uitoefening van zijn bedrijf. Aldus doet zich niet voor de uitzondering van artikel 3:86 lid 3 onder Pro a BW.
De steller van het middel doet voorts een beroep op feiten met betrekking tot de aangifte van de diefstal die in cassatie niet vaststaan. Het feit dat klager op 20 mei 2009 is vrijgesproken van opzet- althans schuldheling van steigermateriaal doet er niet aan af dat de bestolene zijn bevoegdheid uit artikel 3:86 aanhef Pro BW kan uitoefenen en als rechthebbende kon worden aangewezen door de rechtbank.
Het middel faalt. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Vgl. HR 25 september 2001, LJN AD5966, NJ 2002, 109 en HR 10 maart 2009, LJN BG8959.