1 Zie bijv. HR 13 maart 2007, LJN AZ4714, NJ 2007, 180.
2 HR 30 januari 2001, LJN ZD2221, NJ 2001, 242. Zie ook: Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, 6e druk, p. 724.
3 Bovendien heeft verzoeker, blijkens zijn verklaring ter terechtzitting, onder meer bij de politie verklaard dat hij niet bij de woning was geweest en beriep hij zich vervolgens op zijn zwijgrecht toen hij werd geconfronteerd met de overeenkomst tussen zijn DNA-profiel en het DNA-profiel van het op het kozijn aangetroffen bloed. Hij heeft voorts nog tegenover de politie verklaard dat de auto van '[C]' was en dat '[C]' verzoeker had gevraagd of verzoeker de auto wilde verkopen zodat '[C]' nieuwe coke kon kopen (proces-verbaal van verhoor, opgemaakt op 19 september 2006 door [verbalisant 4]). Bij dit soort verklaringen dringt zich altijd weer de vraag op waarom toch zo'n '[C]' tegen betaling (€ 50,- volgens verzoeker) een derde inschakelt om de auto te verkopen (voor € 150,-), en niet gewoon zelf die auto verkoopt, al het geld incasseert en daarvan coke koopt.
4 Vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006, 393, rov. 3.8.1 en HR 17 juni 2008, LJN BC9528.
5 De mate van zeldzaamheid van een DNA-profiel pleegt door het NFI te worden uitgedrukt in de "berekende frequentie" van voorkomen van het DNA-profiel in de populatie, en is bij een volledig matchend DNA-profiel altijd kleiner dan één op één miljard. Zie ook voetnoot 13.
6 A.J.M. Meulenbroek, "De essenties van forensisch biologisch onderzoek. Humane biologische sporen en DNA", Uitgeverij Paris 2009, p. 215. Zie ook: M.J. Sjerps en A.D. Kloosterman, "De bewijswaarde van forensisch DNA-onderzoek", in: M.J. Sjerps en J.A. Coster van Voorhout (red.), "Het onzekere bewijs. Gebruik van statistiek en kansrekening in het strafrecht", Kluwer 2009, p. 323.
7 Meulenbroek, t.a.p, p. 145.
8 Meulenbroek, t.a.p. p. 145-147, 167 en 280. Zie ook: Sjerps en Kloosterman, "De bewijswaarde van forensisch DNA-onderzoek", p. 317, en: Wiel Hoekstra, "De blauwdruk. Feiten en ficties over DNA", Amsterdam University Press 2004, p. 105-106.
9 De gebezigde bewijsmiddelen reppen niet expliciet van een volledig DNA-profiel van het spoor, maar wel kan dit daaruit worden afgeleid. Bewijsmiddel 11 houdt immers in dat de frequentie van het DNA-profiel van het bloedspoor "minder dan één op één miljard" is, hetgeen de frequentie is die geldt voor een volledig DNA-profiel. Zie voetnoot 5 en Meulenbroek, t.a.p., p. 145 en 163.
10 Anders dan de steller van het middel, meen ik dat uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat enkel het DNA-profiel van het hier bedoelde bemonsterde bloedspoor op het T-shirt en het DNA-profiel van verzoeker deel uitmaken van het profielcluster 6436. Bewijsmiddel 11 houdt immers (ook) in: "Het referentiemonster van de verdachte en het overeenkomende DNA-profiel zijn bij het NFI geregistreerd onder profielcluster 6436. (...) Naast het referentiemonster maakt het spoor met DNA-identiteitszegel: BPA207#1 deel uit van het profielcluster."
11 M. Sjerps, A. Kloosterman en K. van der Beek, "De interpretatie van een DNA-databankmatch", DD 2010, 11, p. 141-142.
12 Sjerps en Kloosterman, "De bewijswaarde van forensisch DNA-onderzoek", p. 322.
13 Dat is de kans dat bij toeval een onschuldig persoon matcht met het DNA-profiel van het spoor (Sjerps, Kloosterman en Van der Beek, "De interpretatie van een DNA-databankmatch", p. 139), ofwel de kans dat een willekeurig gekozen persoon matcht met het desbetreffende spoorprofiel. Het is dus, gelijk de "berekende frequentie", een maat voor zeldzaamheid van een vastgesteld DNA-profiel in een populatie. Zie ook: Meulenbroek, t.a.p., p. 165 en 280, en Victor Toom, "De wereld achter het DNA-bewijs, Betrouwbaarheid in een Nederlands laboratorium voor DNA-onderzoek", NJB 2009, p.418.
14 Zie voetnoot 5.
15 Meulenbroek, t.a.p. p. 163 en 165-167. In dezelfde zin: Sjerps en Kloosterman, "De bewijswaarde van forensisch DNA-onderzoek", p. 316-317 en Sjerps, Kloosterman en Van der Beek, "De interpretatie van een DNA-databankmatch", p. 151.
16 Locus op het DNA is de plaats van een hypervariabel gebied. Juist dit gebied verschilt sterk per persoon vanwege de verscheidenheid in het aantal zich repeterende DNA-stukjes van bouwstenen. Het DNA-profiel ontstaat uit de betreffende kenmerken van tien hypervariabele loci.
17 Meulenbroek, t.a.p., p. 170-171.
18 Meulenbroek, t.a.p. p. 145.
19 HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006, 393, rov. 3.8.1.