ECLI:NL:PHR:2010:BM9401

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/00199
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 9 EVRMArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verbod op telen hennep ondanks beroep op godsdienstvrijheid

Verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens het opzettelijk telen van meer dan 30 gram hennep in een pand te Amsterdam. Verdachte voerde in hoger beroep aan dat het gebruik van hennep een onderdeel was van zijn godsdienstbeleving binnen "Our Church" en dat het verbod op hennepteelt in strijd was met zijn vrijheid van godsdienst zoals beschermd door artikel 9 EVRM Pro.

Het Hof verwierp dit verweer en oordeelde dat het verbod op hennepteelt een noodzakelijke beperking is in het belang van de volksgezondheid en de samenleving, conform de doelstelling van de Opiumwet. De Hoge Raad bevestigde deze overwegingen en stelde dat het concrete gebruik van hennep door verdachte geen reden kan zijn om het verbod buiten toepassing te laten.

De Hoge Raad benadrukte dat de Opiumwet, mede ter uitvoering van internationale verdragsverplichtingen, middelen zoals hennep verbiedt vanwege de risico's voor gezondheid en samenleving. Het beroep op godsdienstvrijheid werd daarom verworpen en het vonnis van het Hof bleef in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigde de veroordeling van verdachte voor het opzettelijk telen van hennep en verwierp het beroep op godsdienstvrijheid.

Conclusie

Nr. 09/00199
Mr. Vellinga
Zitting: 15 juni 2010
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 550,--, subsidiair 11 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.
2. Namens verdachte heeft mr. B.G.M.C. Peters, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel komt op tegen 's Hofs motivering van de verwerping van een door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer houdende - kort gezegd - een beroep op vrijheid van godsdienst.
4. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op 15 juni 2006 te Amsterdam opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [a-straat] een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal zijnde hennep."
5. Het in het middel bedoelde verweer is door het Hof als volgt samengevat en verworpen:
"Ter zitting gevoerde verweren
(...)
De raadsvrouw van de verdachte heeft aangevoerd dat de verdachte lid is van "Our Church" en dat het gebruik van cannabis, hennep of marihuana een onderdeel is van het belijden van zijn godsdienst. In de zaak tegen de verdachte moet het in artikel 3 van Pro de Opiumwet voorziene verbod buiten toepassing blijven omdat dit verbod moet worden aangemerkt als een beperking op de aan verdachte toekomende vrijheid van godsdienst ex artikel 9 van Pro het EVRM.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt:
De onder de verdachte inbeslaggenomen planten bevatten hennep. Hennep is vermeld op lijst 2 behorende bij de Opiumwet. Het gebruik van hennep kan schade opleveren voor de gezondheid van gebruikers daarvan. Het doel van de Opiumwet is het voorkomen van schade aan de gezondheid van de mens en schade voor de samenleving. Op grond van voornoemd doel kan de verbodsbepaling van artikel 3 van Pro de Opiumwet worden aangemerkt als een beperking die in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de gezondheid in de zin van artikel 9 EVRM Pro. Het hof is van oordeel dat deze beperking, in relatie tot de vrijheid van verdachte om zijn godsdienst te belijden, niet als onevenredig kan worden aangemerkt."
6. Alvorens ik tot de bespreking van het middel overga merk ik op dat het door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer volgens het Hof ziet op het voor religieuze doeleinden gebruiken van hennep, terwijl het Hof ten laste van verdachte heeft bewezenverklaard het opzettelijk telen van hennep. Het Hof heeft daarin geen aanleiding gezien het verweer reeds op die grond te verwerpen.
7. In de toelichting op het middel wordt opgekomen tegen 's Hofs overweging dat het gebruik van hennep schade kan opleveren voor de volksgezondheid. Volgens de steller van het middel had het Hof moeten motiveren waarom in onderhavig geval het religieuze gebruik van hennep door verdachte dermate ernstige schade voor de volksgezondheid oplevert, dat een beperking van zijn godsdienstvrijheid gerechtvaardigd is.
8. Het Hof heeft blijkens het bestreden arrest vastgesteld dat de onder verdachte inbeslaggenomen planten hennep bevatten. Hennep staat vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II. Uit doel en stelsel van de Opiumwet, zoals daarvan mede blijkt uit de wetsgeschiedenis, volgt dat op de bij de Opiumwet behorende lijsten middelen staan vermeld die, onder meer ter uitvoering van internationale verdragsverplichtingen, zijn aangemerkt als middelen waarvan is gebleken dat zij het bewustzijn van de mens beïnvloeden en bij aanwending bij de mens zowel tot schade voor zijn eigen gezondheid als tot schade voor de samenleving kunnen leiden.(1) De op lijst I vermelde middelen worden beschouwd als drugs waarvan het gebruik een onaanvaardbaar risico oplevert, terwijl aan het gebruik van de op lijst II vermelde middelen eveneens een niet te verwaarlozen risico voor de samenleving is verbonden.(2) De in art. 3 Opiumwet Pro vervatte verboden strekken dus mede ter bescherming van de volksgezondheid.
9. Gelet op het voorgaande getuigt 's Hofs oordeel, voor zover inhoudende dat het gebruik van hennep schade kan opleveren voor de gezondheid van de gebruikers daarvan, het doel van de Opiumwet gelegen is in het voorkomen van schade aan de gezondheid van de mens en de samenleving, en de verbodsbepaling van art. 3 Opiumwet Pro gelet op dit doel kan worden aangemerkt als een beperking die in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de gezondheid in de zin van art. 9 EVRM Pro, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.(3)
10. Anders dan het middel wil, behoefde het Hof zijn oordeel niet nader te motiveren. Immers, de omstandigheid dat het concrete gebruik dat verdachte van het middel maakt geen gevaar voor de (volks)gezondheid oplevert, kan er niet toe leiden dat het verbod van art. 3 Opiumwet Pro buiten toepassing moet worden gelaten of niet als een noodzakelijke beperking in de zin van art. 9 EVRM Pro kan gelden.(4)
11. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
12. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 9 januari 2007, LJN AZ2497 en Kamerstukken II, 1974-1975, 13 407, nrs. 1-3, p. 15.
2 Kamerstukken II, 1974-1975, 13 407, nrs. 1-3, p. 16.
3 Vgl. HR 24 mei 2005, nr. 01834/04 (niet gepubliceerd; telen en aanwezig hebben van hennep; beroep op vrijheid van godsdienst met verwijzing naar art. 9 lid 2 EVRM Pro door Hof verworpen; HR: 81 RO), HR 9 januari 2007, LJN AZ2497, Johan Vande Lanotte en Yves Haeck, Handboek EVRM, Deel II (Volume I), p. 818-835, i.h.b. p. 823-825 en 832-835 en Van Dijk en Van Hoof, Theory and practice of the European Convention on Human Rights, vierde druk, p. 759-764 en 768-770.
4 Vgl. HR 9 januari 2007, LJN AZ2497.