ECLI:NL:PHR:2010:BM9601

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/03852
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:35 AwbArt. 81 ROArt. 3:322 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verbeurde bestuurlijke dwangsommen wegens kamerverhuur ondanks verjaring

Bij besluit van 14 april 2005 legden burgemeester en wethouders van de gemeente een last onder dwangsom op aan eiser wegens het exploiteren van een kamerverhuurbedrijf in zijn pand. Ondanks een eerdere controle en aanschrijving werd op 28 juli en 12 augustus 2005 nog steeds kamerverhuur geconstateerd, waarna dwangsommen werden opgelegd. Eiser voerde verzet tegen het dwangbevel, stellende dat er geen sprake was van een kamerverhuurbedrijf en dat de dwangsommen verjaard waren.

De rechtbank verklaarde het verzet ongegrond en het hof bekrachtigde dit oordeel. Het hof oordeelde dat eiser onvoldoende had toegelicht dat de andere bewoners slechts vrienden of bezoekers waren en dat hij niet aan zijn stelplicht had voldaan. Daarnaast stelde het hof dat de verjaring van de dwangsommen niet van openbare orde is en dat eiser zich hier niet op had beroepen in de eerdere instanties.

De Hoge Raad concludeert dat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Het hof heeft terecht geoordeeld dat sprake was van kamerverhuur en dat de verjaring niet ambtshalve hoefde te worden toegepast. Er is geen aanleiding tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het hof terecht oordeelde dat sprake was van kamerverhuur en dat de verjaring van de dwangsommen niet ambtshalve hoefde te worden toegepast.

Conclusie

09/03852
mr. Keus
Zitting 25 juni 2010
Conclusie inzake:
[Eiser]
eiser tot cassatie
tegen
de gemeente 's-Gravenhage
(hierna: de Gemeente)
verweerster in cassatie
1. In deze zaak kunnen de aangevoerde klachten niet tot cassatie leiden. Evenmin nopen zij tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. Ik meen daarom met een verkorte conclusie te kunnen volstaan.
2. Bij besluit van 14 april 2005 hebben burgemeester en wethouders van de Gemeente (hierna: B&W) [eiser] gelast binnen één maand het kamerverhuurbedrijf in diens pand aan de [a-straat 1] te [plaats] te beëindigen en beëindigd te houden, op straffe van een dwangsom van € 7.500,- per overtreding met een maximum van € 15.000,-. Tegen dit besluit heeft [eiser] geen rechtsmiddelen aangewend.
3. Nadat bij een controlebezoek op 23 mei 2005 was vastgesteld dat aan de aanschrijving was voldaan, is bij controlebezoeken op 28 juli 2005 en 12 augustus 2005 geconstateerd dat nog steeds een kamerverhuurbedrijf in het pand werd uitgeoefend. Bij brieven van 8 en 17 augustus 2005 hebben B&W [eiser] medegedeeld dat ter zake telkens een dwangsom van € 7.500,- was verbeurd. Nadat [eiser] bij brief van 24 februari 2006 tot betaling van € 15.000,- was aangemaand, is hem bij exploot van 11 mei 2006 een op 26 april 2006 uitgevaardigd dwangbevel ter incasso van de dwangsommen, vermeerderd met invorderingskosten en rente, betekend.
4. Bij (eind)vonnis van 14 maart 2007 heeft de rechtbank 's-Gravenhage het door [eiser] tegen het dwangbevel gedane verzet ongegrond verklaard. Bij het thans bestreden (eind)arrest van 20 januari 2009 heeft het hof 's-Gravenhage het (eind)vonnis van de rechtbank bekrachtigd. [Eiser] heeft tegen dat (eind)arrest (tijdig) beroep in cassatie ingesteld.
5. Middel I strekt, in de kern genomen, ten betoge dat het hof, gelet op het aantal verhuurde kamers (volgens [eiser]: twee) en het aantal huurders (volgens [eiser]: één), niet heeft kunnen oordelen dat sprake is van een kamerverhuurbedrijf in de zin van de door de Gemeente gehanteerde definitie (zie de memorie van antwoord onder 4.23; onder deze definitie valt niet de verhuur van één of twee kamers aan niet meer dan twee personen). Het middel kan niet tot cassatie leiden.
Het hof heeft gereleveerd dat ten aanzien van één persoon niet is bestreden dat hij huurder is. Voorts heeft het hof geoordeeld dat [eiser] de aanwezigheid van twee andere personen die op 28 juli 2005 werden aangetroffen (volgens [eiser] bekenden uit India die in Nederland op vakantie waren) onvoldoende heeft toegelicht, evenals zijn stellingen dat weer twee andere personen die op 12 augustus 2005 werden aangetroffen (en die ook reeds vóór de last onder dwangsom van 15 april 2005 in het pand waren aangetroffen en toen huur betaalden), slechts vrienden van de erkende huurder zouden zijn. Volgens het hof komt het dus erop neer dat naast de erkende huurder diverse andere personen terecht als bewoners zijn aangemerkt (rov. 11). In rov. 13 heeft het hof herhaald dat "[eiser] (...) wel van alles (stelt), maar (...) zijn verweer in geen enkel opzicht (onderbouwt), hoewel dit gelet op het (met producties onderbouwde) betoog van de gemeente wel van hem gevergd had mogen worden ([eiser] heeft dus niet voldaan aan zijn stelplicht.)". Hetgeen het middel aanvoert, tast het oordeel dat [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, niet aan.
6. Middel II betoogt dat, waar uit het dossier niet van kenbare stuitingshandelingen ná 11 oktober 2006 of later blijkt, de betrokken dwangsommen reeds geruime tijd zijn verjaard en dat, nu de verjaring van openbare orde is, het hof zulks ambtshalve had moeten onderzoeken en onderkennen.
Het middel kan niet tot cassatie leiden, reeds omdat de verjaring zoals voorzien in art. 5:35 (oud) Awb(1), wat daarvan overigens zij, niet van openbare orde is(2) en [eiser] zich daarop in de feitelijke instanties niet heeft beroepen.
7. De conclusie strekt tot verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
1 Sinds de inwerkingtreding op 1 juli 2009 van de vierde tranche van de Awb bevat afd. 4.4.3 een regeling voor de verjaring. Ook art. 5:35 Awb Pro is per 1 juli 2009 gewijzigd en stelt de termijn voor verjaring van de bevoegdheid tot invordering van een verbeurde dwangsom sedertdien op een jaar in plaats van zes maanden. Art. IV, eerste lid, Vierde tranche Awb bepaalt: "Indien een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing." Onder het nieuwe recht vervallen de bevoegdheden tot het uitvaardigen van een aanmaning en een dwangbevel alsmede tot verrekening, ongeacht of de schuldenaar zich op verjaring heeft beroepen (vgl. M. Scheltema en M.W. Scheltema, Gemeenschappelijk recht (2008), p. 165-166).
2 De in boek 3 titel 11 BW opgenomen bepalingen over verjaring zijn daarop van overeenkomstige toepassing. Zie HR 28 juni 2002, LJN: AE1538, NJ 2003, 676, m.nt. H.J. Snijders, en de conclusie van A-G Wesseling-Van Gent voor dit arrest onder 2.13. Zie voorts J.H. Verweij, De bestuurlijke dwangsom (1997), p. 273-274. Volgens art. 3:322 lid 1 BW Pro mag de rechter niet ambtshalve het middel van verjaring toepassen.