ECLI:NL:PHR:2010:BM9603

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/01309
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 lid 5 RvArt. 78 lid 5 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen beslissing op wrakingsverzoek wegens rechtsmiddelenverbod

De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door verzoeker tegen een beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank Zutphen, die het wrakingsverzoek van verzoeker tegen een vice-president van die rechtbank niet-ontvankelijk verklaarde wegens te late indiening.

Het cassatieberoep richt zich uitsluitend tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. De Hoge Raad overweegt dat op grond van artikel 39 lid 5 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geen rechtsmiddel openstaat tegen beslissingen op wrakingsverzoeken, tenzij sprake is van een doorbrekingsgrond.

Hoewel jurisprudentie en literatuur doorbrekingsgronden erkennen, bevat het cassatiemiddel geen klachten die een dergelijke doorbreking rechtvaardigen. Daarnaast staat artikel 78 lid 5 van Pro het Wetboek van Procesrecht (RO) in de weg dat verzoeker zich tot de appelrechter had moeten wenden.

Daarom wordt het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het rechtsmiddelenverbod tegen beslissingen op wrakingsverzoeken.

Conclusie

10/01309
Mr L. Strikwerda
Parket, 25 juni 2010
conclusie inzake
[Verzoeker]
tegen
mr R.M.A.G. van Valderen
Edelhoogachtbaar College,
1. Het door verzoeker tot cassatie, hierna: [verzoeker], ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een beslissing van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank Zutphen van 24 december 2009. Bij deze beslissing heeft de wrakingskamer [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn mondelinge wrakingsverzoek, ingediend tegen thans verweerder in cassatie, mr R.M.A.G. van Valderen, vice-president bij de rechtbank Zutphen, die een verzoek tot faillietverklaring van [verzoeker] behandelde. De beslissing van de wrakingskamer is gegrond op het oordeel dat [verzoeker] het wrakingsverzoek te laat heeft ingediend.
2. Het cassatieberoep berust op één middel dat zich keert tegen de grond waarop de wrakingskamer [verzoeker] niet ontvankelijk heeft verklaard in zijn wrakingsverzoek. Mr van Valderen heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.
3. [Verzoeker] kan in zijn cassatieberoep niet worden ontvangen. Tegen een beslissing op een verzoek tot wraking staat ingevolge art. 39 lid 5 Rv Pro geen voorziening open. Hoewel "doorbreking" van het rechtsmiddelenverbod van art. 39 lid 5 Rv Pro mogelijk moet worden geacht (zie HR 22 januari 1999, NJ 1999, 243, en HR 26 januari 2001, NJ 2001, 177; zie voorts A.I.M. van Mierlo, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, 4e dr. 2010, art. 39 Rv Pro, aant. 4) bevat het door [verzoeker] voorgestelde cassatiemiddel geen klachten die daarvoor grond zouden kunnen opleveren (zie Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands Burgerlijk Procesrecht, 22e dr. 2009, blz. 183/184; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent, 2009, nr. 24 en 25). Bovendien staat, ook al zou [verzoeker] wel een beroep op een doorbrekingsgrond hebben gedaan, het bepaalde in art. 78 lid 5 RO Pro aan zijn ontvankelijkheid in het cassatieberoep in de weg; hij had zich tot de appelrechter moeten wenden.
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van [verzoeker] in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,