ECLI:NL:PHR:2010:BM9611
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vervroegde onteigening en toepassing artikel 38 Onteigeningswet bij gedeeltelijke onteigening van perceel met woonhuis en tuin
De zaak betreft de vervroegde onteigening van een gedeelte van een perceel met woonhuis en tuin te Enschede, waarbij de eigenaar bezwaar maakte tegen de onteigening en zich beroept op artikel 38 van Pro de Onteigeningswet. De rechtbank had de onteigening uitgesproken en het voorschot op schadeloosstelling vastgesteld, waarna de eigenaar in cassatie ging.
De eigenaar stelde dat de onteigenende partij ook het overblijvende deel van het perceel, inclusief de woning, moest overnemen op grond van artikel 38 eerste Pro lid Onteigeningswet. De rechtbank had dit beroep niet of onvoldoende betrokken in haar oordeel en had zich vooral gericht op het tweede lid van artikel 38, dat betrekking heeft op onbebouwde erven.
De Hoge Raad overwoog dat artikel 38 eerste Pro lid ziet op gebouwen waarvan een gedeelte wordt onteigend, en dat het tweede lid uitsluitend ziet op onbebouwde erven. Het betrof hier een woonhuis met tuin, waarbij slechts een deel van de tuin werd onteigend. De Hoge Raad bevestigde dat artikel 38 niet Pro van toepassing is indien slechts een gedeelte van de tuin wordt onteigend, ook al maakt de eigenaar bezwaar dat het woonhuis daardoor onverkoopbaar wordt.
De Hoge Raad concludeerde dat de rechtbank terecht de vordering tot overneming van het overblijvende perceel had afgewezen en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. De zaak bevat uitgebreide overwegingen over de wetsgeschiedenis en jurisprudentie met betrekking tot artikel 38 Onteigeningswet Pro.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de vervroegde onteigening van het tuingedeelte wordt bevestigd zonder dat de gemeente het overblijvende perceel hoeft over te nemen.