ECLI:NL:PHR:2010:BM9922

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/02672
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 107 Wegenverkeerswet 1994Art. 6 EVRMArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering bewezenverklaring rijbewijsvervalsing

De Hoge Raad heeft het arrest van het Gerechtshof Amsterdam vernietigd waarin verdachte was veroordeeld voor het rijden zonder rijbewijs. Het hof had in haar arrest verwezen naar bewijsmiddelen die niet eenduidig aan de verdachte konden worden toegeschreven, aangezien de gebruikte namen in de bewijsmiddelen verschilden van de naam van verdachte, zonder dat het hof dit had toegelicht. Hierdoor ontbrak het aan een deugdelijke motivering van de bewezenverklaring.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad stelt dat het verschil in voornaam of initialen niet zonder meer kan worden genegeerd, mede omdat het mogelijk is dat het om verschillende personen gaat, bijvoorbeeld tweelingbroers. Dit gebrek aan motivering leidt tot vernietiging van het arrest en terugwijzing naar het hof voor een nieuwe beoordeling van het hoger beroep.

Daarnaast wordt ambtshalve opgemerkt dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak is overschreden, wat gevolgen kan hebben voor de verdere procedure, afhankelijk van de wijze van afdoening door de Hoge Raad.

Uitkomst: Arrest van het hof vernietigd en zaak terugverwezen voor hernieuwde beoordeling wegens onvoldoende motivering bewezenverklaring.

Conclusie

Nr. 08/02672
Mr. Vellinga
Zitting: 22 juni 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem bij arrest van 16 november 2007 wegens "overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot hechtenis voor de duur van twee weken veroordeeld.
2. Namens verdachte heeft mr. Veen, advocaat te Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt terecht dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed is, nu, blijkens het arrest van het Hof, [verdachte] door het Hof is veroordeeld maar de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen spreken van [betrokkene] en [betrokkene] zonder dat het Hof uiteenzet dat en waarom het hier niettemin gaat om [verdachte]. Dat beide personen op dezelfde dag en op dezelfde plaats zijn geboren acht ik onvoldoende om aan te nemen dat het hier ondanks het verschil in voornaam/eerste letter van de voornaam steeds om één en dezelfde persoon gaat. Het is immers denkbaar dat [verdachte] en [betrokkene] tweelingbroers zijn.
4. Het middel slaagt.
5. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Verdachte heeft op 16 juni 2008 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat sedertdien meer dan 24 maanden zijn verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Wordt de zaak - zoals ik voorsta - verwezen of teruggewezen, dan kan het tijdsverloop bij het Hof aan de orde worden gesteld. Wordt het cassatieberoep verworpen dan kan gelet op de duur van de opgelegde straf worden volstaan met de enkele constatering van de overschrijding van de redelijke termijn.(1)
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 17 juni 2008, BD2578, NJ 2008, 358, rov. 3.5.3 en 3.6.2 onder C.