ECLI:NL:PHR:2010:BN0333

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/03152 H
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 458.1 SvArt. 460 SvArt. 577b lid 2 SvArt. 579 SvArt. 39c Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek wegens persoonsverwisseling in ontnemingszaak

De aanvrager verzocht om herziening van een onherroepelijk vonnis uit 2002 wegens persoonsverwisseling. Hij stelde dat het vonnis ten onrechte op zijn naam was gesteld en dat hij niet degene was die veroordeeld en gedetineerd was. Uit onderzoek bleek dat de veroordeelde een andere persoon was die zich van meerdere aliassen bediende, waaronder een alias die leek op de naam van de aanvrager.

De Hoge Raad oordeelde dat het vonnis niet ten laste van de aanvrager was gewezen, maar van een andere verdachte. De aanvrager kon daarom niet worden ontvangen in zijn verzoek tot herziening op grond van artikel 460 Sv Pro. Het Openbaar Ministerie bevestigde dat de executie van het ontnemingsvonnis ten onrechte op naam van de aanvrager was gesteld en dat de executie was opgeschort.

De Hoge Raad verklaarde het verzoek tot herziening ongegrond omdat de feitelijke grondslag ontbrak. De ontnemingsuitspraak was terecht ten laste van de andere verdachte, niet van de aanvrager. Wel werd opgemerkt dat het Openbaar Ministerie de justitiële documentatie moet corrigeren om de foutieve registratie op naam van de aanvrager te herstellen.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt ongegrond verklaard omdat het vonnis niet ten laste van de aanvrager is gewezen, maar van een andere verdachte met een alias.

Conclusie

Nr. 08/03152 H
Mr. Vellinga
Zitting: 6 april 2010
Conclusie inzake:
[Aanvrager]
1. Aanvrager tot herziening is [aanvrager], geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats].
2. Bij onherroepelijk geworden uitspraak van de Rechtbank te Groningen van 8 april 2004 met parketnummer 18/030245-02, is aan [alias 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 37.066,-. De uitspraak vermeldt dat [alias 1] ook bekend staat als (onder meer) [betrokkene 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975.
3. De onder 1 genoemde uitspraak is gewezen naar aanleiding van het op 13 november 2002 onherroepelijk geworden vonnis van de Rechtbank te Groningen van 29 oktober 2002 met parketnummer 030245-02, gewezen ten laste van [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats], waarbij [betrokkene 1] voornoemd wegens "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" en "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden. Tevens heeft de Rechtbank inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd verklaard en onttrokken aan het verkeer, een en ander zoals in het vonnis omschreven. Het vonnis vermeldt dat [betrokkene 1] ook bekend staat als (onder meer) [alias 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978.
4. Namens de aanvrager is door mr. P.M.S. Dijks, advocaat te Maastricht, een aanvraag tot herziening van de uitspraak van 29 oktober 2002 ingediend.
5. De aanvraag berust op de stelling dat het vonnis in de strafzaak blijkens de uitspraak in de ontnemingszaak is gewezen ten laste van aanvrager en derhalve berust op persoonsverwisseling .
6. Ter onderbouwing van de aanvraag wordt het volgende aangevoerd. Aanvrager raakte op de hoogte van de uitspraak in de ontnemingszaak door een brief van het Centraal Justitieel Incasso Bureau van 2 april 2008 waarin aanvrager werd opgeroepen om het bij die uitspraak vastgestelde ontnemingsbedrag te betalen. De persoon die in de strafzaak van 29 oktober 2002 is veroordeeld heeft zich uitgegeven voor aanvrager door het gebruik maken van aanvragers personalia. Aanvrager is niet degene geweest die ter executie van het vonnis in de strafzaak gedetineerd is geweest van 13 juni 2002 tot 16 april 2003. Daartoe wordt erop gewezen:
- dat de foto van de aanvrager geen enkele gelijkenis vertoont met de foto van degene die door de Rechtbank te Groningen in de strafzaak is veroordeeld;
- dat de aanvrager in de periode van juni 2002 tot en met maart 2003 in Frankrijk verbleef, welke stelling wordt ondersteund door diverse documenten, als bijlagen gevoegd bij de aanvraag;
- dat aanvrager dus niet degene kan zijn geweest die voor de strafzaak heeft vastgezeten in de periode van 13 juni 2002 tot 16 april 2003 en op 29 oktober 2002 door de Rechtbank is veroordeeld tot straf.
7. Naar aanleiding van de aanvraag, zoals hiervoor uiteengezet, heb ik op 3 november 2009 het College van procureurs-generaal een aantal vragen voorgelegd, te weten:
* Wat is de stand van zaken met betrekking tot de executie van het ontnemingsvonnis van 8 april 2004?
* Heeft het Openbaar Ministerie een vordering tot kwijtschelding ex art. 577b, tweede lid Sv gedaan en zo ja, hoe is hier op beslist, of is het Openbaar Ministerie voornemens een dergelijke vordering te doen en zo nee, waarom niet?
* Staat de veroordeling in de strafzaak in het Justitieel Documentatieregister op naam van aanvrager of op naam van [betrokkene 1]?
8. Naar aanleiding van de door mij aan het College van procureurs-generaal gestelde vragen heeft de Hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket te Groningen bij brief van 8 december 2009 het volgende bericht, voor zover hier van belang:
"Alvorens ik een toelichting zal geven op de door de advocaat-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden gestelde vragen, permitteer ik mij eerst kort de gang van zaken te schetsten.
Bij het Openbaar Ministerie te Groningen is in 2002 vervolgd een persoon die zich, naar later bleek, van een groot aantal aliassen bedient voor overtreding van de Opiumwet alsmede voor bezit van een vals reisdocument, het laatste feit ad informandum gevoegd (bijlage 1, uitdraai Compas). Deze persoon zal ik in het vervolg aanduiden als [betrokkene 1].
Het valse reisdocument dat [betrokkene 1] heeft gebruikt stond op naam van [alias 1].
Ten onrechte is [betrokkene 1] in Compas geregistreerd als [achternaam aanvrager], alias [alias 2] (bijlage 2, uitdraai Compas) een andere alias van [betrokkene 1].
De strafvervolging heeft uiteindelijk geleid tot een veroordeling van [betrokkene 1] op tegenspraak. Aangezien [betrokkene 1] zich in voorlopige hechtenis bevond, is de straf aansluitend ten uitvoer gelegd.
In Compas is geregistreerd (zie bijlage 3) dat bij de behandeling van de ontnemingsvordering ter terechtzitting op 15 oktober 2002 ook aanwezig is geweest de persoon die de voorlopige hechtenis in de strafzaak heeft ondergaan, vergezeld van een advocaat en een tolk.
Hieruit kan mijns inziens worden geconcludeerd dat het [betrokkene 1] was, die zijn verdediging tegen de ontnemingsvordering heeft gevoerd.
Veroordeeld tot betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel is echter [naam aanvrager], met vermelding van [betrokkene 1] als alias. Het ontnemingsvonnis is in de justitiële documentatie ook op naam van [naam aanvrager] komen te staan, waardoor automatisch getracht is bij [aanvrager] het vonnis te executeren.
Pas op het moment dat Duchateau in de Pl Breda geconfronteerd werd met dit ontnemingsvonnis werd duidelijk dat dit door een verkeerde vermelding van aliassen op naam van [aanvrager] is komen te staan.
Navraag bij de regiopolitie te Groningen en de Pl te Breda heeft foto's opgeleverd van de betrokken personen. Hieruit bleek zonder meer dat het om twee verschillende personen gaat (bijlage 4).
In het verlengde van dit gegeven is de executie van het ontnemingsvonnis opgeschort. Later bleek dat voor een procedure ex art. 579 Sv Pro de aanhouding van de beoogde veroordeelde noodzakelijk is. Op dat moment was [aanvrager] niet meer gedetineerd, reden waarom deze procedure uiteindelijk niet is opgestart.
Beantwoording van de vragen:
1. De executie van het ontnemingsvonnis is thans nog opgeschort tot 20 februari 2010. Ik ben van mening dat het onterecht zou zijn het vonnis ten laste van [aanvrager] te executeren.
2. Het Openbaar Ministerie heeft geen vordering tot kwijtschelding ex art. 577b tweede lid Sv gedaan en is ook niet voornemens dit te doen. Immers in het ontnemingsvonnis zijn de echte naam van de te veroordelen persoon ([betrokkene 1]) en een van zijn aliassen (alias 1]) verwisseld. Mijns inziens zou een procedure tot kwijtschelding onvoldoende recht doen aan het feit dat [aanvrager] in deze zaak niet het wederrechtelijk voordeel heeft gekregen en ook niet is vervolgd ten aanzien van de onderliggende feiten. Niet [aanvrager] maar [betrokkene 1] dient tot betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel te worden veroordeeld.
3. Blijkens het uittreksel van het Justitieel documentatieregister betreffende [aanvrager] is de veroordeling in de strafzaak alsmede het ontnemingsvonnis op zijn naam (dus die van aanvrager) geregistreerd. Wat betreft de veroordeling in de strafzaak kan nu al worden geconcludeerd dat dit onterecht is.
Terzijde zij opgemerkt dat zich in het Justitieel Documentatieregister een uittreksel bevindt op naam van [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats], waarop de onderhavige zaken niet vermeld staan."
9. De aanvraag strekt tot herziening van het vonnis van 29 oktober 2002, kennelijk omdat - hetgeen ook in de aanvraag wordt opgemerkt - tegen de uitspraak van 8 april 2004 in de ontnemingszaak de mogelijkheid tot herziening niet open staat.(1) Blijkens het vonnis van de Rechtbank te Groningen is in de strafzaak echter niet aanvrager maar [betrokkene 1] veroordeeld. [Betrokkene 1] is ook degene die de bij voornoemd vonnis opgelegde gevangenisstraf heeft uitgezeten. Van de in de aanvraag bedoelde persoonsverwisseling is in het vonnis in de strafzaak dan ook geen sprake. De aanvraag mist dan ook feitelijke grondslag en zal om die reden ongegrond moeten worden verklaard.
10. Hiermee is het probleem van aanvrager, een - naar hij stelt en hetgeen door het Openbaar Ministerie te Groningen wordt onderschreven - te zijnen laste gewezen uitspraak in de ontnemingszaak niet opgelost. Daartoe diene het volgende. De uitspraak in de ontnemingszaak is gewezen ten laste van [alias 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, een alias van [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats]. De personalia van deze [alias 1] zijn voor wat betreft de plaats van geboorte allesbehalve gelijk aan die van aanvrager, [aanvrager], geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats]. Dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat de ontnemingsuitspraak niet ten laste van aanvrager is gewezen en reeds daarom ten onrechte is gepoogd de uitspraak in de ontnemingszaak ten laste van aanvrager te executeren. Dan blijft nog de vermelding van de veroordeling in de ontnemingszaak op aanvragers documentatie. Hier biedt art. 39c jo. 3 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens de mogelijkheid aan het Openbaar Ministerie de documentatie in overeenstemming te brengen met het feit dat bedoelde veroordeling niet ten laste van aanvrager is gewezen.
11. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvrage ongegrond zal verklaren.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Zie onder meer HR 4 januari 2005, LJN AR8661, NJ 2006, 159 en HR 1 december 2009, LJN BK4884.