ECLI:NL:PHR:2010:BN1014
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over verjaring en stuiting bij omkoping van niet-ambtenaren
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van het hof waarin verdachte deels buiten vervolging is gesteld wegens verjaring van het delict omkoping van niet-ambtenaren, geregeld in artikel 328ter Sr. Het hof stelde dat de verjaringstermijn aanvangt op het moment dat de gift wordt gedaan of opdracht tot effectuering wordt gegeven, en oordeelde dat een brief van de Officier van Justitie waarin vervolging werd aangekondigd een daad van vervolging was die de verjaring stuitte.
De Hoge Raad bevestigt dat de verjaringstermijn bij het delict van artikel 328ter lid 2 Sr aanvangt wanneer de gift wordt gedaan, ook als er sprake is van een voorafgaande belofte. Dit betekent dat gift en belofte als afzonderlijke strafbare feiten worden beschouwd, waarbij de gift het delict voltooit. De Hoge Raad wijst op de totstandkomingsgeschiedenis en literatuur die deze uitleg ondersteunen.
Ten aanzien van de stuiting van de verjaring oordeelt de Hoge Raad dat de brief van de Officier van Justitie geen daad van vervolging is in de zin van artikel 72 Sr Pro, omdat deze brief slechts een mededeling van het voornemen tot vervolging inhoudt en niet gericht is op het betrekken van de rechter bij de zaak. Hierdoor stuit deze brief de verjaring niet. De Hoge Raad vernietigt daarom het oordeel van het hof over de stuiting en verklaart dat de feiten die vóór 1 juli 2002 hebben plaatsgevonden verjaard zijn.
De Hoge Raad stelt verdachte buiten vervolging voor die feiten die verjaard zijn en wijst het beroep voor het overige af. Hiermee wordt verduidelijkt dat de verjaring bij omkoping door gift strikt wordt toegepast en dat alleen formele daden die de rechter betrekken de verjaring stuiten.
Uitkomst: De Hoge Raad stelt verdachte buiten vervolging voor de verjaarde feiten en vernietigt het oordeel over stuiting van de verjaring.