ECLI:NL:PHR:2010:BN1255

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 oktober 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/00428
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 161 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing cassatieberoep inzake vordering tot betaling van cao-premies bouw-cao

In deze zaak vorderde het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen (LISV) betaling van cao-premies op grond van de bouw-cao over de periode 1995-1997 van eiser, die een pand had laten opknappen waarbij ook privé-personen werkzaamheden verrichtten zonder dat premies waren afgedragen.

De rechtbank wees de vordering grotendeels toe en het hof bekrachtigde dit oordeel. Eiser kwam hiertegen in cassatie met meerdere klachten, waaronder over de bewijskracht van het SFB-rapport en de bevoegdheid van LISV tot inning van de premies.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had door het SFB-rapport als uitgangspunt te nemen, ook al was er geen strafvonnis. Daarnaast faalden de klachten over de bevoegdheid van LISV en de inhoudelijke beoordeling van de toepasselijkheid van de bouw-cao. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.

Conclusie

09/00428
Mr. E.B. Rank-Berenschot
Zitting 9 juli 2010
CONCLUSIE inzake:
1. [Eiser 1],
2. [Eiseres 2],
eisers tot cassatie,
adv. mr. P. Garretsen,
tegen
Landelijk instituut sociale verzekeringen, (thans UWV),
en acht rechtspersonen,
verweerders in cassatie,
niet verschenen.
Deze zaak leent zich voor een verkorte conclusie.
1. Eiser tot cassatie onder 1, hierna: [eiser 1], heeft in 1993 een pand gekocht te [plaats] met de bedoeling dit pand op te knappen en te verhuren. In de jaren 1995, 1996 en 1997 heeft [eiser 1] tegen betaling bouwkundige werkzaamheden aan het pand laten verrichten door een aantal professionele bouwbedrijven en door een aantal (natuurlijke) personen, onder wie een zekere [betrokkene 1]. Voor deze personen waren geen premies sociale verzekeringen afgedragen en evenmin premies op grond van enige toepasselijke cao.
2. In deze procedure hebben verweerders in cassatie, hierna: LISV c.s., - voor zover in cassatie van belang - gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 34.419,35 ter zake van premies op grond van de (in de perioden waarop de vordering betrekking heeft algemeen verbindend verklaarde) Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het Bouwbedrijf (hierna: de bouw-cao). Bij tussenvonnis van 31 mei 2006 heeft de rechtbank Amsterdam [eiser] in de gelegenheid gesteld een akte te nemen. Bij eindvonnis van 11 oktober 2006 heeft de rechtbank de vordering toegewezen tot een bedrag van € 30.746,23.
3. [Eiser] en eiseres tot cassatie onder 2, hierna: de B.V., gezamenlijk hierna: [eiser] c.s., zijn van beide vonnissen in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam. Het geschil in appel betreft de vordering van LISV c.s. jegens [eiser 1] ter zake van de cao-premies over de periode 1 januari 1995 tot en met 31 december 1997, voor zover die is toegewezen. Bij arrest van 28 augustus 2008 heeft het hof de vonnissen waarvan beroep bekrachtigd.
4. [Eiser] c.s. zijn van dit arrest tijdig in cassatie gekomen. LISV c.s. zijn in cassatie niet verschenen; tegen hen is verstek verleend. [Eiser] c.s. hebben hun klachten nog schriftelijk doen toelichten.
5. Middel I is, zo volgt uit de onderdelen 1.1 en 1.5, gericht tegen rov. 4.7 in samenhang met rov. 4.8 tot en met 4.10 en rov. 5 van het arrest, alsmede het dictum. Het wordt uitgewerkt in de onderdelen 1.2 tot en met 1.4.
5.1 Volgens onderdeel 1.2 heeft het hof miskend dat aan het SFB-rapport van 10 maart 1998, nu dit niet heeft geleid tot een veroordelend strafvonnis in de zin van art. 161 Rv Pro, vrije bewijskracht toekomt. Het onderdeel geeft niet aan waaruit zou blijken dat het hof dit heeft miskend, noch biedt het bestreden arrest voor dit laatste feitelijke grondslag. De klacht faalt derhalve.
5.2 Onderdeel 1.3 klaagt, onder verwijzing naar grief III(1), dat het hof geen oordeel heeft gegeven over het betoog dat het SFB-rapport onbevoegdelijk is opgemaakt. Anders dan onderdeel 1.4 betoogt, heeft het hof met zijn oordeel dat, wat er zij van dat betoog, zulks niet betekent dat het rapport in deze civiele procedure niet als uitgangspunt zou mogen gelden, niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.(2) Ook onderdeel 1.3 kan derhalve geen doel treffen.
Voor zover in onderdeel 1.4 nog wordt geklaagd over 's hofs vaststelling dat het rapport niet inhoudelijk is bestreden, faalt de klacht nu deze niet aangeeft waar [eiser] c.s. in feitelijke instanties de inhoud van het rapport zouden hebben bestreden.
6. Middel II is blijkens de onderdelen 2.1 en 2.5 gericht tegen rov. 4.5 tot en met 4.10, in samenhang met rov. 5 en het dictum, en wordt uitgewerkt in de onderdelen 2.2 tot en met 2.4.
6.1 In onderdeel 2.4 - de onderdelen 2.2 en 2.3 bevatten geen klachten - wordt geklaagd dat het hof niet heeft beslist op de stelling (verwezen wordt naar grief V, sub 13) dat niet LISV c.s., maar het (toenmalige) GAK bevoegd is tot civiele inning. Op de aangegeven plaats valt een dergelijk beroep op het ontbreken van inningsbevoegdheid van LISV c.s. echter niet te lezen. Voor zover het onderdeel doelt op de slotzin onder grief V "Daarnaast vraagt de Rechtbank zich evenmin af op grond waarvan het SFB is gevolmachtigd om de werknemerspremies te innen.", heeft het hof daaruit niet moeten afleiden dat een beroep op onbevoegdheid tot inning van LISV c.s. wordt gedaan; deze zin slaat kennelijk terug op het gestelde bij grief IV, onder 10, dat de rechtbank zich niet heeft afgevraagd of het SFB beschikt over de voor een civiele incassoprocedure vereiste volmacht van de cao-partners voor het innen van de cao-premies. Het middel faalt derhalve.
7. Middel III komt, zo leren de onderdelen 3.1 en 3.9, eveneens op tegen de rov. 4.5 tot en met 4.10, rov. 5 en het dictum. Het vindt uitwerking in de onderdelen 3.2 tot en met 3.8.
7.1 De onderdelen 3.2, 3.3 en 3.4 nemen tot uitgangspunt dat het bedrijf van [eiser 1] blijkens het indelingsbesluit van het LISV(3) valt onder een sector waarvan de administratie niet aan het SFB, maar aan het GAK is opgedragen. Geklaagd wordt dat het hof ten onrechte niet heeft vastgesteld hoe het GAK de betrokken handelingen (verbouwingswerkzaamheden, A-G) kwalificeert in het licht van de bouw-cao, omdat het hof volledig focust op het SFB. Kennelijk(4) wordt hiermee geklaagd dat het hof ten onrechte betekenis heeft gehecht aan de in het SFB-rapport vastgestelde feiten (rov. 4.7). Het middel bouwt daarmee voort op het tevergeefs voorgedragen middel I en faalt in zoverre eveneens.
7.2 In de onderdelen 3.5, 3.6 en 3.8 wordt geklaagd over onjuistheid althans onbegrijpelijkheid van 's hofs kwalificaties in rov. 4.7 (bouwwerk, verbouwing, arbeidsovereenkomst in de zin van de bouw-cao), omdat deze nadrukkelijk en gemotiveerd zouden zijn betwist. De onderdelen geven daarvan geen vindplaatsen in de gedingstukken. In de grieven V en VI, welke door het hof in de bestreden overweging worden beoordeeld, wordt een dergelijke betwisting ook niet aangetroffen. De stelling onder grief II, sub 6, p. 3, waarnaar wordt verwezen, heeft geen betrekking op de toepasselijkheid van de cao, terwijl het gestelde ad grief IV sub 8, p. 5 niet in dat kader is aangevoerd. Onderdeel 3.7 berust op een herhaling van het tevergeefs voorgedragen middel I. De onderdelen treffen geen doel.
8. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
A-G
1 Met grief III is betoogd dat ter zake van de betreffende sector niet het SFB, maar het GAK namens LISV was gemandateerd, zodat de onderzoeksresultaten onrechtmatig zijn verkregen.
2 Zie over onrechtmatig bewijs o.m. Snijders/Klaassen/Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht (2007), nr. 217; H.W.B. thoe Schwartzenberg, Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk (2009), nr. 40.
3 Beslissing van 19 maart 1999, overgelegd als prod. 2 bij conclusie van antwoord.
4 Zie ook s.t. onder IV.