ECLI:NL:PHR:2010:BN1402
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing van art. 1:88 lid 5 BW bij certificering van aandelen en toestemming echtgenoot
In deze zaak stond de uitleg van art. 1:88 lid 5 BW Pro centraal, die bepaalt dat toestemming van de echtgenoot niet vereist is indien een bestuurder van een naamloze of besloten vennootschap die meerderheid van de aandelen houdt, zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening.
De casus betrof een bestuurder die geen directe aandeelhouder was, maar certificaathouder via een stichting administratiekantoor die de aandelen hield. De vraag was of de uitzondering van lid 5 ook op deze situatie van toepassing is.
De Hoge Raad bevestigde dat de uitzondering ook geldt bij certificering van aandelen, mits de bestuurder materieel gezien voldoende zeggenschap en financieel belang heeft, vergelijkbaar met een eenmanszaak of vennootschap onder firma. De wetgever had bewust geen rekening gehouden met certificering in de wettekst om de regeling eenvoudig te houden, maar dit sluit toepassing niet uit.
Het hof had vastgesteld dat eiser als enig bestuurder van de stichting en de B.V. voldoende zeggenschap en financieel belang had en dat de structuur niet complex was. Daarom was geen toestemming van de echtgenote vereist en was de verbintenis rechtsgeldig.
De conclusie van de Procureur-Generaal en de Hoge Raad verwierpen het cassatieberoep en bevestigden de uitleg dat certificering niet automatisch uitsluit dat art. 1:88 lid 5 BW Pro van toepassing is.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat art. 1:88 lid 5 BW ook geldt bij certificering van aandelen indien de bestuurder voldoende zeggenschap en financieel belang heeft, zodat geen toestemming van de echtgenoot vereist is.