ECLI:NL:PHR:2010:BN1415
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen tussenbeschikking in alimentatiezaak
Partijen zijn sinds 1976 gehuwd en de vrouw verzocht in 2008 de echtscheiding met nevenvoorzieningen, waaronder een alimentatiebijdrage van €9.000 per maand vanaf 1 april 2006. De man voerde verweer met onder meer een eerdere alimentatieovereenkomst van €1.500 per maand en betwistte de terugwerkende kracht.
De rechtbank stelde een voorlopige voorziening vast van €4.500 per maand vanaf 1 april 2006. De man ging in hoger beroep tegen deze voorlopige voorziening, stellende dat de rechtbank buiten het toepassingsgebied van de wet was getreden. Het hof verklaarde de man ontvankelijk in het hoger beroep en hield verdere beslissing aan.
De vrouw stelde cassatie in tegen deze beschikking, maar de Hoge Raad oordeelde dat het hof slechts een tussenbeschikking had gegeven zonder uitdrukkelijk dictum dat een einde aan het geding maakte. Omdat geen toestemming voor tussentijds cassatieberoep was verleend, werd de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep.
Uitkomst: Cassatieberoep van de vrouw wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van uitdrukkelijk dictum en toestemming voor tussentijds cassatieberoep.