ECLI:NL:PHR:2010:BN1417
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende goede trouw
Het cassatieberoep betreft de afwijzing van een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (WSNP) door de rechtbank en het hof. De kern van het geschil is of de verzoeker te goeder trouw was bij het ontstaan en het onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek, zoals vereist in art. 288 lid 1 sub b van Pro de Faillissementswet.
De rechtbank en het hof oordeelden dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij aan deze eis voldeed. Het hof baseerde dit oordeel onder meer op het feit dat tijdens het faillissement van een door verzoeker bestuurde B.V. bleek dat geld bestemd voor de B.V. op de privérekening van verzoeker werd gestort, en dat privé- en zakelijke geldstromen niet werden gescheiden. Daarnaast liet verzoeker een duur leasecontract voor een auto doorlopen zonder medeweten van de curator tot kort voor de behandeling van het verzoek.
De klachten in cassatie richten zich vooral op de feitelijke juistheid en relevantie van deze vaststellingen. De Hoge Raad stelt echter dat in cassatie geen herbeoordeling van feitelijke vaststellingen kan plaatsvinden en dat de stukken voldoende steun bieden voor het oordeel van het hof. Ook het beroep op de hardheidsclausule van art. 288 lid 3 Fw Pro faalt, omdat dit niet in de feitelijke instanties was aangevoerd.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt daarmee de afwijzing van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.
Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling is afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van goede trouw.