ECLI:NL:PHR:2010:BN1417

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 oktober 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/00742
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 FaillissementswetArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende goede trouw

Het cassatieberoep betreft de afwijzing van een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (WSNP) door de rechtbank en het hof. De kern van het geschil is of de verzoeker te goeder trouw was bij het ontstaan en het onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek, zoals vereist in art. 288 lid 1 sub b van Pro de Faillissementswet.

De rechtbank en het hof oordeelden dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij aan deze eis voldeed. Het hof baseerde dit oordeel onder meer op het feit dat tijdens het faillissement van een door verzoeker bestuurde B.V. bleek dat geld bestemd voor de B.V. op de privérekening van verzoeker werd gestort, en dat privé- en zakelijke geldstromen niet werden gescheiden. Daarnaast liet verzoeker een duur leasecontract voor een auto doorlopen zonder medeweten van de curator tot kort voor de behandeling van het verzoek.

De klachten in cassatie richten zich vooral op de feitelijke juistheid en relevantie van deze vaststellingen. De Hoge Raad stelt echter dat in cassatie geen herbeoordeling van feitelijke vaststellingen kan plaatsvinden en dat de stukken voldoende steun bieden voor het oordeel van het hof. Ook het beroep op de hardheidsclausule van art. 288 lid 3 Fw Pro faalt, omdat dit niet in de feitelijke instanties was aangevoerd.

De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt daarmee de afwijzing van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.

Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling is afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van goede trouw.

Conclusie

Zaaknr. 10/00742
Mr. Huydecoper
Parket, 9 juli 2010
Conclusie inzake
[Verzoeker]
verzoeker tot cassatie
1. Dit cassatieberoep is gericht tegen de afwijzing in appel - nadat dat ook in de eerste aanleg was gebeurd - van een verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling. Rechtbank en hof wezen het verzoek af omdat niet voldoende aannemelijk was dat de verzoeker tot cassatie, [verzoeker], bij het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek, te goeder trouw was geweest.
Ik ben van mening dat het - tijdig(1) en regelmatig ingestelde - cassatieberoep ongegrond is, en dat de middelen geen vragen aan de orde stellen die met het oog op rechtseenheid of rechtsontwikkeling beantwoording behoeven. Ook overigens lijken de middelen mij van dien aard, dat met een verkorte conclusie kan worden volstaan.
2. Sinds de wetswijziging die op 1 januari 2008 in werking trad, komt een verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling alleen voor toewijzing in aanmerking als voldoende aannemelijk is dat de verzoeker bij het ontstaan en het onbetaald laten van zijn schulden te goeder trouw geweest is (in de al even genoemde periode van vijf jaar), art. 288 lid 1 onder Pro b Fw. Het risico dat dit gegeven niet voldoende aannemelijk wordt, rust in beginsel op de verzoeker - in zoverre zou men kunnen zeggen dat het bewijsrisico bij deze berust (zoals her en der in de literatuur wel wordt gesuggereerd(2)).
Het behoort tot de bedoelingen die bij het totstandbrengen van de nieuwe wettelijke regeling voor ogen stonden, dat toegang tot de schuldsaneringsregeling minder gemakkelijk zou worden dan daarvóór; en ook, dat de motivering van een afwijzende beslissing zou worden vergemakkelijkt. (Onder de eerder geldende regels was het ontbreken van goede trouw bij de verzoeker, een facultatieve grond voor afwijzing van een verzoek. De rechter was in die situatie gehouden om, als hij toepassing van deze regel aangewezen oordeelde, naar behoren te motiveren dat het in de wet omschreven geval zich voordeed en dat er aanleiding was voor toepassing van de hier als mogelijkheid voorziene sanctie.)
3. Het hof heeft zijn oordeel dat de goede trouw aan de kant van [verzoeker] onvoldoende aannemelijk was, gemotiveerd door erop te wijzen dat gedurende het faillissement van een door [verzoeker] bestuurde B.V.(3) is gebleken dat geld dat voor de B.V. bestemd was op de privérekening van [verzoeker] werd gestort en dat de geldstromen privé en zakelijk niet werden gescheiden, alsmede dat [verzoeker] een duur leasecontract voor een auto zonder medeweten van de curator heeft laten doorlopen tot kort voor het verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling in de eerste aanleg mondeling werd behandeld.
De cassatieklachten strekken er vooral toe, de feitelijke juistheid en de relevantie van de vaststellingen die het hof aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, te bestrijden.
4. Onder 2.2 voert het middel aan dat het verzoek om toelating, opgesteld "door althans vanuit [A]"(4), zou laten blijken dat onduidelijk was welke bedragen [verzoeker] ten laste van de B.V. had ontvangen en in hoeverre die bedragen alsnog ten behoeve van de B.V. waren aangewend; en dat reeds een (voor)onderzoek zou hebben plaatsgehad.
Zouden deze gegevens inderdaad uit het inleidende verzoek blijken, dan valt niet in te zien dat dat in relevante mate kan afdoen aan 's hofs eerder bedoelde vaststellingen (die mede berusten op wat er blijkt uit nadien ingediende stukken en nadien gedane mededelingen, waaronder een aantal faillissementsverslagen uit het faillissement van de betreffende B.V.). Maar het hof kon ook geredelijk oordelen dat geen van de hier ten tonele gevoerde gegevens uit het inleidende verzoek valt op te maken.
Voor de klacht van dit middelonderdeel ontbreekt dan ook iedere grond.
5. Alinea 2.3 van het middel bevat geen klacht, alleen een uitvoerig citaat uit een van de bedoelde faillissementsverslagen. Alinea 2.4 verdedigt dat het feit dat [verzoeker] een uitkering krachtens de WWB ontvangt, zou aantonen dat er goede trouw in de zin van art. 288 lid 1 onder Pro b Fw was. Het behoeft, dunkt mij, geen betoog dat dat niet zo is. Ik merk nog op dat dit argument ten overstaan van het hof niet in stelling is gebracht, zodat moeilijk van het hof viel te verwachten dat dat hieraan in zijn motivering aandacht zou besteden.
6. Alinea 2.5 berust op woordenspel ten aanzien van een niet terzake doend detail. Alinea 2.6, dat ik als het belangrijkste onderdeel van de klachten aanmerk, strekt ertoe dat uit de stukken niet (voldoende) zou zijn op te maken dat de door het hof genoemde omstandigheden (betalingen van aan de B.V, verschuldigde bedragen op de privé-rekening, vermenging van geldstromen; laten doorlopen van een duur leasecontract tot kort voor de mondelinge behandeling in de eerste aanleg) zich hebben voorgedaan - althans: anders dan "incidenteel".
In cassatie kan echter geen herbeoordeling worden verlangd van louter feitelijke vaststellingen als de onderhavige. De stukken bieden overigens voor deze vaststellingen meer dan voldoende steun(5).
De stelling in de slotzin van alinea 2.6 kan niet afdoen aan 's hofs vaststellingen betreffende de (onvoldoende gebleken) goede trouw aan [verzoeker]s kant.
7. In alinea 2.7 wordt nog aangevoerd dat het hof aanleiding had moeten zien voor toepassing van de "hardheidsclausule" van art. 288 lid 3 Fw Pro. Deze klacht neemt de in de eerdere klachten geponeerde feiten tot uitgangspunt; en mist dus feitelijke grondslag. Ook hier geldt overigens dat in de feitelijke instanties geen beroep op art. 288 lid 3 Fw Pro was gedaan (laat staan dat bijzondere omstandigheden waren aangevoerd die de toepassing van deze als uitzondering bedoelde mogelijkheid zouden ondersteunen). In die situatie lijkt mij effectief uitgesloten dat men de rechter in feitelijke aanleg zou kunnen verwijten dat hij deze mogelijkheid - ambtshalve oordelend - heeft miskend.
Verder bevat het middel geen klachten.
Conclusie
Ik concludeer tot verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
1 Het in cassatiebestreden arrest is van 12 februari 2010. Het cassatierekest is op 22 februari 2010 (per fax) ingekomen. De termijn van 8 dagen van art. 292 lid 5 Fw Pro verliep op 20 februari, maar dat was een zaterdag. De termijn werd daarom tot maandag 22 februari verlengd.
2 Faillissementswet (losbl.), Lammers, art. 288, aant. 6.1, 7.3 en 7.3.4; T&C Insolventierecht, Wessels/Engberts, 2008, art. 288, aant. 4.
3 De schulden van [verzoeker] bestaan voor een aanmerkelijk deel uit schulden van deze B.V. waarvoor [verzoeker] mede aansprakelijk was, zie rov. 2.2.2 van de in cassatie bestreden beschikking.
4 De juiste naam is volgens het inleidend verzoek: [A].
5 Zie bijvoorbeeld de uitlatingen van de raadsvrouwe van [verzoeker], weergegeven in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in appel (p. 2) en het (tot de stukken behorende) faillissementsverslag van 14 april 2009, par. 7.5.