ECLI:NL:PHR:2010:BN2294
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling eendaadse samenloop poging tot verkrachting en bedreiging met verkrachting
In deze zaak stond de vraag centraal of eenzelfde gedraging van de verdachte kan leiden tot zowel poging tot verkrachting als bedreiging met verkrachting. Het Hof had de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 3 voorwaardelijk, en een schadevergoeding aan de benadeelde partij toegekend.
De verdachte had het slachtoffer met ontbloot bovenlijf bij haar armen beetgepakt, geprobeerd haar achterover te duwen en op de grond te leggen, terwijl hij zijn broek naar beneden had gedaan en schreeuwde dat hij haar wilde verkrachten. Het Hof achtte dit een begin van uitvoering van het misdrijf en oordeelde dat de gedragingen zowel poging tot verkrachting als bedreiging met verkrachting konden omvatten.
De Hoge Raad bevestigde dat het opzet van de dader bepalend is voor de vraag of beide delicten naast elkaar bewezen kunnen worden. In dit geval was het opzet gericht op voltooiing van verkrachting, waarbij het bewust aanvaarden van de vrees bij het slachtoffer voor verkrachting werd meegenomen. De bewezenverklaringen zijn daarom niet tegenstrijdig.
Verder constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn van 24 maanden was overschreden sinds het instellen van cassatie, wat leidt tot strafvermindering. De overige middelen werden verworpen en het arrest werd vernietigd voor zover het de straf betreft, met behoud van de overige beslissingen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging wegens termijnoverschrijding en bevestigt de bewezenverklaringen van poging tot verkrachting en bedreiging met verkrachting.