ECLI:NL:PHR:2010:BN2345
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geldigheid verjaringstermijn bij bijstandsfraude ondanks adres onbekend in buitenland
De zaak betreft een bijstandsfraude gepleegd tussen 5 september 1992 en 1 februari 1996 in Rotterdam, waarbij verdachte onjuiste opgaven deed en gegevens verzweeg met het oogmerk bijstand te verkrijgen of te behouden. Verdachte werd door het gerechtshof veroordeeld tot tien weken gevangenisstraf.
In cassatie werd onder meer betoogd dat de verjaringstermijn was verstreken en dat de betekening van de dagvaarding niet rechtsgeldig was vanwege een onbekend buitenlands adres van verdachte. De Hoge Raad analyseerde de toepasselijke verjaringstermijnen, waaronder de overgang van de Algemene Bijstandswet naar het Wetboek van Strafrecht en de stuitingsmomenten.
De Hoge Raad concludeerde dat het vervolgingsrecht niet was verjaard omdat het delict deels een voortdurend karakter had en de verjaringstermijnen door stuitingen werden verlengd. Tevens was het ontbreken van een bekend buitenlands adres geen beletsel voor een geldige betekening volgens artikel 588 lid 1 onder Pro b sub 3 Sv. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de veroordeling blijft in stand en het vervolgingsrecht is niet verjaard.