ECLI:NL:PHR:2010:BN5616
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toetsing voorlopige machtiging opname psychiatrisch ziekenhuis bij weigering betrokkene
In deze zaak ging het om een verzoek tot voorlopige machtiging voor opname en verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van de Wet Bopz. De rechtbank had de machtiging voor zes maanden verleend, ondanks dat betrokkene weigerde persoonlijk contact te hebben met de rapporterend psychiater. Betrokkene stelde in cassatie dat de psychiater onvoldoende had gedaan om het vereiste persoonlijk onderzoek te verrichten.
De Hoge Raad overwoog dat de wetgever in art. 5 lid 1 Wet Pro Bopz een onderzoek voor ogen had waarbij de psychiater betrokkene persoonlijk spreekt en observeert. Echter kan een machtiging ook worden verleend als dit contact niet of slechts beperkt mogelijk is door weigering van betrokkene, mits de psychiater in zijn verklaring gemotiveerd uiteenzet waarom het persoonlijk onderzoek niet mogelijk was en op welke gronden hij desondanks tot de conclusie kwam dat betrokkene geestelijk gestoord is.
De Hoge Raad stelde vast dat de rechtbank voldoende had gemotiveerd dat de psychiater redelijkerwijs alles had gedaan wat van hem verwacht mocht worden om contact te krijgen, mede gelet op de voorgeschiedenis van vergeefse pogingen en de persoonlijke weigering van betrokkene. De rechtbank had ook duidelijk gemaakt waarom de geneeskundige verklaring ondanks het ontbreken van persoonlijk contact voldoende was voor de machtiging.
Het cassatieberoep werd verworpen omdat de rechtbank haar oordeel voldoende had gemotiveerd en het verweer van betrokkene niet tot een andere uitkomst leidde. De duur van de machtiging was niet bestreden. Daarmee bleef de voorlopige machtiging van zes maanden in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de voorlopige machtiging tot opname en verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis blijft in stand.