ECLI:NL:PHR:2010:BN5662
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige uitlatingen over vermeende betrokkenheid bij Deventer moordzaak
Deze zaak betreft de beoordeling van onrechtmatigheid van uitlatingen van eiser over de vermeende betrokkenheid van verweerder 1 en verweerster 2 bij de Deventer moordzaak. Eiser stelde dat een onschuldige was veroordeeld en beschuldigde verweerders publiekelijk van betrokkenheid bij de moord. De rechtbank Amsterdam oordeelde dat deze uitlatingen onrechtmatig waren en legde een verbod en schadevergoeding op.
In hoger beroep bevestigde het Hof Amsterdam dit oordeel, maar verlaagde de toegekende immateriële schadevergoeding. Eiser stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. De Hoge Raad beoordeelde onder meer de feitelijke vaststellingen van het Hof, de motivering van de belangenafweging tussen de vrijheid van meningsuiting en de bescherming tegen lichtvaardige verdachtmakingen, en de hoogte van de schadevergoeding.
De Hoge Raad verwierp de klachten van eiser, onder meer omdat het Hof terecht oordeelde dat de uitlatingen ernstige en stellige verdachtmakingen bevatten die onvoldoende waren gemotiveerd en dat het belang van verweerders om niet aan dergelijke verdachtmakingen te worden blootgesteld zwaarder woog dan het belang van eiser bij publicatie. Tevens werd bevestigd dat het Hof voldoende rekening hield met de omstandigheden en dat de hoogte van de schadevergoeding binnen de beoordelingsvrijheid van het Hof viel.
De Hoge Raad concludeerde dat het cassatieberoep geen gegronde klachten bevatte en wees het beroep af.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen; de uitlatingen zijn onrechtmatig en de opgelegde schadevergoeding en verbod blijven van kracht.