ECLI:NL:PHR:2010:BN6126
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over berusting bij internationale kinderontvoering en teruggeleiding naar Canada
Deze zaak betreft een verzoek op grond van artikel 12 van Pro het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (HKOV) tot onmiddellijke teruggeleiding van een kind naar Canada. De moeder had het kind, dat onder gezamenlijk gezag stond, in Nederland achtergehouden nadat zij voor een tijdelijke periode met toestemming van de vader naar Nederland was gekomen.
De vader verzocht via de Centrale Autoriteit om teruggeleiding van het kind naar Canada. De moeder voerde onder meer aan dat de vader had berust in het definitieve verblijf van het kind in Nederland, wat een weigeringsgrond vormt op grond van artikel 13 lid 1 sub a HKOV Pro. Zowel de rechtbank als het hof oordeelden dat uit objectieve omstandigheden niet kon worden afgeleid dat de vader had berust in het definitieve verblijf van het kind in Nederland.
De Hoge Raad bevestigt dat berusting slechts onder strenge voorwaarden kan worden aangenomen en dat gekeken moet worden naar de gedragingen van de achterblijvende ouder zelf, zowel actief als passief. De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de vader niet heeft berust in het definitieve verblijf van het kind in Nederland, mede gelet op zijn pogingen om terugkeer te bewerkstelligen en het starten van een teruggeleidingsprocedure.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de moeder en bevestigt daarmee het oordeel van het hof dat de teruggeleiding van het kind naar Canada moet plaatsvinden. Tevens wordt bevestigd dat de rechter niet verplicht is om bewijs toe te laten in deze procedure, gezien de aard van het geschil.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de vader niet heeft berust in het definitieve verblijf van het kind in Nederland en verwerpt het cassatieberoep van de moeder.