ECLI:NL:PHR:2010:BN6254
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strikte eisen aan cassatiemiddelen in civiele procedure
De zaak betreft een geschil over de nalatenschap van een overleden vrouw, waarbij haar zoon de moeder en zuster van de overledene aansprakelijk stelde wegens het verbergen van buitenlandse banktegoeden. De rechtbank wees de vordering af, het hof vernietigde dit vonnis en wees de vordering gedeeltelijk toe. De moeder en zuster stelden cassatie in tegen dit arrest.
De Hoge Raad behandelt in deze procedure vooral de procesrechtelijke vraag welke eisen aan cassatiemiddelen worden gesteld. Het hof had geoordeeld dat de moeder en zuster onrechtmatig jegens de zoon hadden gehandeld door het verbergen van de nalatenschap. De cassatiemiddelen bevatten echter geen concrete motivering waarom deze oordelen onbegrijpelijk zouden zijn, noch werden de rechtsregels die zouden zijn geschonden duidelijk aangegeven.
De Hoge Raad benadrukt dat het beginsel van hoor en wederhoor, zoals neergelegd in artikel 6 EVRM Pro, vereist dat cassatiemiddelen tijdig en duidelijk in de dagvaarding worden vermeld, zodat de wederpartij zich adequaat kan verweren. Nieuwe of aanvullende klachten die pas na de cassatiedagvaarding worden ingebracht, zijn in beginsel niet toelaatbaar.
Omdat de cassatiemiddelen niet aan deze eisen voldeden, verklaart de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk en wijst het af. De inhoudelijke beoordeling van het geschil blijft daarmee in stand. Dit arrest bevestigt de strikte procesrechtelijke regels omtrent cassatie in civiele zaken.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen wegens niet-ontvankelijkheid vanwege onvoldoende gemotiveerde en niet tijdig ingebrachte cassatiemiddelen.