ECLI:NL:PHR:2010:BN6373
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vermogensrechtelijke afwikkeling huwelijk met Amsterdams verrekenbeding over verkoop erfpachtrecht
Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met een Amsterdams verrekenbeding, waarbij elk een eigen privévermogen hield en lasten naar inkomen werden verdeeld. De man kocht een agrarisch bedrijf met erfpachtrecht, volledig gefinancierd met een hypothecaire lening waarvoor de vrouw hoofdelijk aansprakelijk was. De rente werd uit de winst van hun maatschap betaald, waarin beiden deelnamen.
De man verkocht het erfpachtrecht en loste daarmee de lening af. De vrouw vorderde een deel van de winst uit deze verkoop, stellende dat zij op grond van redelijkheid en billijkheid en de gezamenlijke beleggingen aanspraak had op de winst. De rechtbank wees dit toe, maar het hof vernietigde dit en oordeelde dat de winst tot het privévermogen van de man behoorde en dat de vrouw gebonden was aan de verrekenstaten die zij tot 1998 had ondertekend.
De vrouw stelde cassatieberoep in tegen het oordeel van het hof dat haar beroep op redelijkheid en billijkheid en natuurlijke verbintenis onvoldoende was onderbouwd. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en verwierp het cassatieberoep, waarbij werd benadrukt dat partijen uitvoering hadden gegeven aan het verrekenbeding en dat de renteverplichtingen redelijkerwijs ten laste van de maatschapswinst konden worden gebracht.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de vrouw geen aanspraak heeft op winst uit verkoop erfpachtrecht dat tot het privévermogen van de man behoort.