ECLI:NL:PHR:2010:BN7734

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/01067
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bevoegdheid en faalt klacht over ontbreken rechtsbijstand bij politieverhoor

Verdachte is door het Hof Arnhem veroordeeld wegens medeplegen van schuldheling tot een geldboete van €500, subsidiair 10 dagen hechtenis. Tegen dit arrest is cassatie ingesteld met twee middelen. Het eerste middel betrof de bevoegdheid van het Hof Arnhem om kennis te nemen van de zaak, waarbij werd aangevoerd dat de wettelijke basis voor de aanwijzing van Arnhem als nevenzittingsplaats ontbrak. De Hoge Raad verwijst naar een eerdere uitspraak (HR 7 juli 2009) en verwerpt dit middel.

Het tweede middel klaagde over het ontbreken van rechtsbijstand tijdens het politieverhoor, met een beroep op de EHRM-uitspraak in de zaak Salduz. De Hoge Raad oordeelt echter dat deze klacht niet voor het eerst in cassatie kan worden ingebracht en wijst ook dit middel af. De Hoge Raad ziet geen gronden om ambtshalve tot vernietiging van het arrest over te gaan.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad leidt tot verwerping van het cassatieberoep, waarmee het arrest van het Hof Arnhem in stand blijft. De zaak bevestigt de jurisprudentie omtrent nevenzittingsplaatsen en de beperkingen van het cassatieberoep bij klachten over rechtsbijstand in het vooronderzoek.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het Hof Arnhem blijft in stand.

Conclusie

Nr. 09/01067
Mr. Knigge
Zitting: 14 september 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, wegens "medeplegen van schuldheling" veroordeeld tot een geldboete van € 500, --, subsidiair 10 dagen hechtenis.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 09/01066 en 09/01067. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens verdachte hebben mrs. B.P. de Boer en A.J. van der Velden, advocaten te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel bevat de klacht dat het Hof Arnhem zich ten onrechte bevoegd heeft verklaard van de zaak kennis te nemen, dan wel dat het Hof Amsterdam ten onrechte zitting heeft gehouden in Arnhem, aangezien - kort gezegd - de wettelijke basis voor de aanwijzing van Arnhem als nevenzittingsplaats ontbreekt.
5. Gelet op HR 7 juli 2009, LJN BI3413, NJ 2010, 44, m.nt. Borgers - dat is gewezen naar aanleiding van een middel dat in veel opzichten met het onderhavige overeenkomt - faalt het middel.
6. Het tweede middel klaagt, met een beroep op de uitspraak van het EHRM in de zaak Salduz(1), over het ontbreken van rechtsbijstand bij het politieverhoor.
7. Anders dan de steller van het middel meent, kan deze klacht niet met succes voor het eerst in cassatie worden gedaan (HR 30 juni 2009, LJN BH3084, NJ 2009, 351, m.nt. Schalken, rov. 3.2.). Daarom faalt het middel.
8. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 EHRM 27 november 2008, nr. 36391/02, NJ 2009, 214.