ECLI:NL:PHR:2010:BN8532

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/01606
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:153 BWArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping pensioenverweer en partneralimentatie bij echtscheiding

In deze zaak stond de vraag centraal of het pensioenverweer van de vrouw terecht werd verworpen en of tegelijkertijd met de echtscheiding over de nevenvoorzieningen had moeten worden beslist.

De rechtbank Amsterdam sprak op 9 september 2009 de echtscheiding uit en hield de behandeling van nevenverzoeken aan. Later bepaalde de rechtbank op verzoek van de vrouw de partneralimentatie op een bruto bedrag van €3.539 per maand. Het hof bekrachtigde de echtscheidingsbeschikking en vernietigde deels de beschikking over de partneralimentatie, waarbij het een hoger bedrag van €6.638 bruto per maand vaststelde.

De vrouw stelde dat het hof art. 1:153 lid 1 BW Pro had geschonden door het pensioenverweer te verwerpen en dat er een billijke voorziening had moeten worden getroffen. Het hof oordeelde echter dat het pensioenvoordeel van de vrouw niet verloren ging of werd verminderd, zodat geen voorziening nodig was. Ook wees het hof terecht het standpunt af dat gelijktijdig over echtscheiding en nevenvoorzieningen beslist had moeten worden.

De Hoge Raad concludeerde dat het cassatieberoep faalt en verwierp het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro, omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen en het pensioenverweer afgewezen.

Conclusie

Zaaknr. 10/01606
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Parket, 24 september 2010 (spoed)(1)
Conclusie inzake:
[De vrouw]
tegen
[De man]
Deze zaak, waarin het pensioenverweer van de vrouw aan de orde is alsmede de vraag of tegelijkertijd over de echtscheiding en de nevenvoorzieningen had dienen te worden beslist, leent zich voor een verkorte conclusie.
1.1 Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2009 is op verzoek van de man de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is de behandeling van de nevenverzoeken aangehouden. Vervolgens heeft de rechtbank bij beschikking van 4 november 2009 - op het verzoek van de vrouw om de partneralimentatie op een bedrag van € 7.389,- bruto per maand vast te stellen - bepaald dat de man € 3.539,- per maand dient te voldoen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud. Voorts is in die beschikking op het verzoek van zowel de man als de vrouw het huurrecht respectievelijk aan hem en aan haar toe te wijzen, bepaald dat de man de huurder van de echtelijke woning is.
1.2 Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij beschikking van 20 januari 2010, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, de door de vrouw bestreden beschikking van 9 september 2009 bekrachtigd. Daarnaast heeft het hof bij beschikking van 20 april 2010 de eveneens door de vrouw bestreden beschikking van de rechtbank van 4 november 2009, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigd en - verkort weergegeven - bepaald dat de man de vrouw als uitkering in haar levensonderhoud € 6.638,- bruto per maand dient te betalen met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.
Het tijdig(2) door de vrouw tegen eerstgenoemde beschikking ingestelde cassatieberoep bevat twee(3) klachten.
1.3 De eerste klacht richt zich tegen het oordeel van het hof in rechtsoverweging 4.2 dat het pensioenverweer terecht door de rechtbank is verworpen en klaagt dat het hof art. 1:153 lid 1 BW Pro heeft geschonden en dat gelet op de omstandigheden van het geval een voorziening dient te worden getroffen die ten opzichte van beide echtgenoten billijk is te achten. Het hof heeft evenwel, aldus de klacht, verzuimd alle relevante omstandigheden in "haar (!) beschikking" op te nemen.
1.4 De klacht faalt.
Het hof heeft - in cassatie niet bestreden - allereerst in de bestreden rechtsoverweging het wettelijk voorschrift van art. 1:153 lid 1 BW Pro vooropgesteld, inhoudende dat het echtscheidingsverzoek niet kan worden toegewezen voordat een voorziening is getroffen, indien de andere echtgenoot het verweer voert dat als gevolg van de echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek tot een echtscheiding heeft gedaan zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen.
1.5 Het hof heeft vervolgens - in cassatie niet bestreden - geoordeeld dat het voor de vrouw bestaande vooruitzicht op pensioen als bedoeld in art. 1:153 lid 1 BW Pro wordt gevormd door het door de man bij zijn werkgever opgebouwde pensioen en een risicoverzekering bij Winterthur waarvan de vrouw verzekeringnemer is. Beide vooruitzichten gaan naar het oordeel van het hof niet verloren of worden niet verminderd. In een dergelijk geval behoeft geen voorziening getroffen te worden en komt de rechter, in dit geval het hof, niet toe aan een beoordeling van de omstandigheden die tot een billijke vergoeding zouden moeten leiden. Van een schending van art. 1:153 lid 1 BW Pro is dan ook geen sprake.
1.6 De tweede klacht is gericht tegen de verwerping door het hof van de stelling van de vrouw dat de rechtbank tegelijkertijd had dienen te beslissen over de echtscheiding en de verzochte nevenvoorzieningen.
1.7 Ook deze klacht faalt.
Het hof heeft in rechtsoverweging 4.3 terecht vooropgesteld dat indien de echtscheiding door de eerste rechter is uitgesproken, slechts op grond van door de appellerende echtgenoot aan te voeren bijzondere omstandigheden herstel van de band tussen de echtscheiding en nevenvoorzieningen kan plaatsvinden en bewerkstelligd kan worden dat tezelfdertijd wordt beslist op die verzoeken. Het hof heeft daarop de door de vrouw gestelde bijzondere omstandigheden genoemd en beoordeeld. Dit oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
1.8 Nu in deze zaak geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling behoeven te worden beantwoord, kan het cassatieberoep m.i. worden verworpen met toepassing van art. 81 RO Pro.
2. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 De man heeft in zijn verweerschrift in cassatie om een spoedbehandeling gevraagd.
2 Het verzoekschrift is op 16 april 2010 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.
3 De op p. 7 van het cassatieverzoekschrift opgenomen klacht dat "tenslotte de rechtbank Amsterdam in de beschikking van 4 november 2009 ten onrechte de jaarlijkse bonus van de man niet in de draagkracht [heeft] betrokken", is geen cassatieklacht omdat het (a) niet opkomt tegen een oordeel van het hof en (b) zich richt tegen een oordeel dat in dit cassatieberoep niet betrokken is nu de beschikking van de rechtbank van 4 november 2009, waarvan de vrouw in hoger beroep is gekomen, heeft geleid tot de andere beschikking van het hof van 20 april 2010.