ECLI:NL:PHR:2010:BN8536
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Arbeidsovereenkomst niet tot stand gekomen wegens ontbreken wilsovereenstemming over essentiële bedingen
In deze zaak stond de vraag centraal of tussen eiser en verweerster een arbeidsovereenkomst tot stand was gekomen, ondanks het ontbreken van overeenstemming over bepaalde essentiële bedingen, zoals het concurrentiebeding in artikel 10 van Pro het conceptcontract. Partijen waren het eens over enkele essentiële onderdelen zoals functie-inhoud, looptijd en salaris, maar niet over alle bepalingen. Eiser was op 8 maart 2004 feitelijk begonnen met werkzaamheden, maar had het conceptcontract van 26 maart 2004 niet ondertekend.
Het hof oordeelde dat de bedingen in artikel 10 tot Pro de essentiële elementen van de overeenkomst behoorden en dat er voor 15 april 2004 geen wilsovereenstemming was over de inhoud van de arbeidsovereenkomst. Het hof stelde dat zonder overeenstemming over deze essentiële punten geen bindende overeenkomst tot stand was gekomen. Eiser voerde aan dat er al vóór 26 maart 2004 wilsovereenstemming was bereikt, onder meer op basis van e-mails en afspraken, en dat hij op basis daarvan al werkzaamheden was begonnen.
De Hoge Raad bevestigde dat de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen afhankelijk is van de omstandigheden en dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het ontbreken van overeenstemming over essentiële bedingen de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst in de weg stond. Het bewijsaanbod van eiser om getuigen te horen werd door het hof terecht niet toegelaten omdat het niet ter zake dienend was. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat geen arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen wegens ontbreken van wilsovereenstemming over essentiële bedingen.