ECLI:NL:PHR:2010:BN9456

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/00826
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt wijziging partneralimentatie en fiscale draagkrachtbeoordeling

De zaak betreft een geschil tussen voormalige echtelieden over de hoogte van de partneralimentatie. Na echtscheiding en eerdere vaststelling van alimentatie werd door de man een verzoek tot nihilstelling van de alimentatie ingediend. De rechtbank wees dit af, maar het hof vernietigde deze beslissing en stelde een verlaagde alimentatie vast voor de periode van augustus 2007 tot januari 2009, waarna de alimentatie op nihil werd gesteld.

De vrouw stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak, met name gericht op de vraag of het hof de fiscale draagkracht van de man voldoende had betrokken bij de vaststelling van de alimentatie. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende gemotiveerd had dat het fiscale voordeel was meegewogen en dat de feitenrechter vrij is in de waardering van de draagkracht.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het oordeel van het hof. Tevens werd overwogen dat de vrouw geen belang had bij de klacht over de jaren 2007 en 2008, aangezien de man het oorspronkelijke bedrag tot november 2009 had voldaan en het hof had bepaald dat teveel ontvangen alimentatie niet hoefde te worden terugbetaald.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.

Conclusie

10/00826
mr. Keus
Parket, 1 oktober 2010
Conclusie inzake:
[De vrouw]
verzoekster tot cassatie
tegen
[De man]
verweerder in cassatie
1. In deze zaak kunnen de aangevoerde klachten niet tot cassatie leiden. Evenmin nopen zij tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. Ik meen daarom met een verkorte conclusie te kunnen volstaan.
2. Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 10 april 2003 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 11 maart 2004 in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven. Bij beschikking van 19 april 2006 heeft het hof 's-Gravenhage de alimentatie voor de vrouw ten laste van de man - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van dat hof van 10 maart 2004 - met ingang van 1 september 2005 op € 540,- per maand bepaald.
3. Bij verzoekschrift van 30 augustus 2007 heeft de man de rechtbank Rotterdam wijziging van de beschikking van 19 april 2006 verzocht, in dier voege dat de daarbij aan hem opgelegde alimentatie wordt vastgesteld op nihil, althans op een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, en dat wordt bepaald dat een eventuele achterstand als verhaald en betaald wordt beschouwd. De vrouw heeft verweer gevoerd.
4. Bij beschikking van 25 maart 2008 heeft de rechtbank het verzoek van de man afgewezen.
5. De man is bij het hof 's-Gravenhage van die beschikking in hoger beroep gekomen. De vrouw heeft ook in hoger beroep verweer gevoerd. Bij beschikking van 2 december 2009 heeft het hof de bestreden beschikking vernietigd en bepaald dat de door de man verschuldigde uitkering tot levensonderhoud van 1 augustus 2007 tot 1 januari 2008 € 398,- per maand, van 1 januari 2008 tot 1 januari 2009 € 232,- per maand en vanaf 1 januari 2009 nihil bedraagt, alsmede dat de vrouw eventueel door haar te veel ontvangen alimentatie niet aan de man behoeft terug te betalen.
6. De vrouw heeft onder aanvoering van één cassatiemiddel tijdig cassatieberoep ingesteld. De man heeft verweer gevoerd.
7. Onderdeel 7 - de overige onderdelen bevatten geen zelfstandige klachten - richt zich tegen de rov. 8-11, 23 en 26, alsmede tegen het dictum. Het onderdeel klaagt over de vaststelling van de draagkracht van de man en betoogt (onder 7.3) dat het hof (kenbaar) had moeten onderzoeken of "gegeven die loonheffingen (de loonheffingen, vermeld in de door de man overgelegde jaaropgaven; LK) de man nog inkomstenbelasting verschuldigd zou zijn, en zo ja tot welk bedrag, in welk kader vervolgens het fiscale voordeel diende te worden betrokken". Ik begrijp de klacht aldus dat daarmee wordt opgeworpen dat het hof de fiscale aftrekbaarheid van de alimentatieverplichting niet in aanmerking heeft genomen, althans dat onvoldoende zeker is of zulks is geschied.
8. Het is aan de feitenrechter om de factoren die de draagkracht bepalen af te wegen en te waarderen. Uit de bestreden beschikking blijkt voldoende van welke gegevens het hof is uitgegaan; daarbij heeft het hof - blijkens rov. 23 - ook het bedoelde fiscale voordeel in acht genomen. Mede in aanmerking genomen dat de rechter niet is gehouden alle berekeningen in zijn beslissing op te nemen, is het bestreden oordeel naar behoren gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Overigens is het belang van de vrouw bij haar klacht niet evident, nu de klacht zich (onder 7.2) lijkt toe te spitsen op de jaren 2007 en 2008 (en, aldus beschouwd, niet de opnihilstelling per 1 januari 2009 raakt), en de man (overigens niet onbestreden; zie het proces-verbaal van 11 september 2009, p. 2/3) heeft gesteld dat hij tot en met november 2009 het oorspronkelijk geldende alimentatiebedrag volledig heeft voldaan, in welk verband het hof heeft bepaald dat de vrouw eventueel teveel ontvangen alimentatie mag behouden.
9. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal