ECLI:NL:PHR:2010:BN9457

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/01630
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 79 lid 1 ROArt. 81 ROArt. 14 lid 3 Terms of Conditions of Purchase
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling cassatieberoep inzake uitleg overeenkomst en toepassing buitenlands recht

Hermetic-Pumpen GmbH stelde cassatieberoep in tegen een tussenarrest en een eindarrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage. Het geschil betrof een reconventionele vordering van de curator in het faillissement van Washington International B.V. tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad.

Het hof wees in het tussenarrest de grieven van Hermetic af en in het eindarrest vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank voor zover het de vordering van de curator betrof en kende de curator een schadevergoeding toe. Het cassatieberoep richtte zich op de uitleg van art. 14 lid 3 van Pro de Terms of Conditions of Purchase en de vraag welke eisen het Duitse recht stelt aan eigendomsoverdracht en bezitsverwerving.

De Hoge Raad oordeelde dat klachten over de uitleg van de overeenkomst niet tot cassatie kunnen leiden, omdat dit een zaak is voor de feitenrechter. Klachten over de uitleg of toepassing van buitenlands recht zijn uitgesloten van cassatie volgens art. 79 lid 1 RO Pro. De overige middelen faalden wegens gebrek aan belang of feitelijke grondslag.

Het cassatieberoep werd daarom verworpen met toepassing van art. 81 RO Pro, zonder dat rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling hoefden te worden beantwoord.

Uitkomst: Het cassatieberoep van Hermetic werd verworpen en de uitspraak van het hof Den Haag bleef in stand.

Conclusie

09/01630
Mr L. Strikwerda
Zt. 1 okt. 2010
conclusie inzake
Hermetic-Pumpen GmbH
tegen
Mr F.H. Tiethoff in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Washington International B.V.
Edelhoogachtbaar College,
1. Het tijdig door eiseres tot cassatie, hierna: Hermetic, ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een tussenarrest van 27 april 2006 en een eindarrest van 25 november 2008 van het gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij het tussenarrest heeft het hof de grieven in het door Hermetic ingestelde principaal hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 5 november 2003, voor zover daarbij de reconventionele vordering van thans verweerder tot cassatie, hierna: de curator, tegen Hermetic tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad werd toegewezen tot een bedrag van Euro 76.539,60 met rente, verworpen. Bij het eindarrest heeft het hof geoordeeld dat de in het incidenteel hoger beroep door de curator aangevoerde grieven tegen het in reconventie gewezen vonnis van de rechtbank slagen en dit vonnis in zoverre vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de reconventionele vordering van de curator toegewezen tot een bedrag van Euro 149.850,- met rente.
2. Het cassatieberoep berust op drie middelen. De curator heeft de middelen bestreden en geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
3. De in de middelen aangevoerde klachten kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
4. In middel I staan twee klachten centraal. De eerste klacht bestrijdt als rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk, het oordeel van het hof - in r.o. 4 van het tussenarrest - inzake de strekking van art. 14 lid 3 van Pro de Terms of Conditions of Purchase die behoren bij de tussen Hermetic en Washington International B.V., hierna: Washington, gesloten overeenkomst. De tweede klacht bestrijdt als rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk, het oordeel van het hof - in r.o. 5 van het tussenarrest - omtrent de vraag welke eisen Duits recht stelt aan eigendomsoverdracht en bezitsverwerving in verband met de uitvoering van genoemd art. 14 lid 3 van Pro de Terms of Conditions of Purchase.
5. De eerste klacht faalt, omdat het oordeel van het hof betrekking heeft op de aan het hof als feitenrechter voorbehouden uitleg van de tussen Hermetic en Washington gesloten overeenkomst. Behoudens ten aanzien van de bij de uitleg door het hof gehanteerde maatstaf (waarover het middel geen klacht bevat), kan dit oordeel niet met rechtsklachten worden bestreden. Het oordeel is - ook in het licht van de door Hermetic aangevoerde stellingen, waarnaar het hof in r.o. 4 verwijst - niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
6. De tweede klacht kan niet tot cassatie leiden, omdat klachten over onjuiste uitleg of toepassing van buitenlands recht afstuiten op het bepaalde in art. 79 lid Pro 1, aanhef en onder b, RO. Zie bijv. HR 12 maart 2004, NJ 2004, 284 nt. PV. Zie nader Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nrs. 85-87, en W.D.H. Asser, Civiele cassatie (2003), 38-39. Het oordeel van het hof is ook niet onbegrijpelijk of anderszins ontoereikend gemotiveerd, nu het steun vindt in het door de curator in het geding gebrachte (aanvullend) rapport van Prof.Dr. H.P. Westermann d.d. 3 juni 2005 omtrent de inhoud en strekking van het Duitse recht.
7. Voor zover de middelen II en III voortbouwen op de klachten van middel I, delen zij het lot van middel I.
8. Voor zover middel II zich voorts richt tegen hetgeen het hof - in r.o. 8 van het tussenarrest - heeft overwogen omtrent art. 37 Fw Pro, faalt het wegens gebrek aan belang. De gewraakte overweging heeft het hof blijkens de aanhef van r.o. 8 kennelijk ten overvloede gegeven.
9. Voor zover middel III voorts klaagt dat het hof zich in r.o. 2.4 van het eindarrest heeft schuldig gemaakt aan een verboden aanvulling van de feiten en/of van de verweermiddelen van de curator, faalt het wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Verwezen zij naar de door de curator genomen memorie na deskundigenbericht d.d. 25 oktober 2007, onder 5 e.v.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,