ECLI:NL:PHR:2010:BN9459

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/01516
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 onder c FwArt. 350 lid 3 onder e FwArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling en faillissementsverklaring na tussentijdse beëindiging

De zaak betreft een cassatieberoep van verzoeker tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem, waarin het hof de tussentijdse beëindiging van zijn schuldsaneringsregeling heeft bekrachtigd en heeft vastgesteld dat verzoeker in staat van faillissement zal verkeren zodra het arrest in kracht van gewijsde is gegaan.

Verzoeker stelde dat hij in aanmerking kwam voor een loonvervangende uitkering en dat daardoor geen sprake was van benadeling van schuldeisers, maar deze klacht faalde omdat dit een nieuw feitelijk element betrof dat niet in eerdere instanties was aangevoerd.

Daarnaast betwistte verzoeker het oordeel van het hof over de boedelachterstand, maar deze klacht werd verworpen omdat het hof aannam dat de achterstand ruim €5.500 bedroeg. Ten slotte stelde verzoeker dat het hof onvoldoende rekening had gehouden met zijn belangen door geen uitstel te verlenen voor het aantrekken van middelen voor zijn onderneming, maar ook deze klacht werd afgewezen omdat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk was.

De Procureur-Generaal concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 RO Pro, wat de Hoge Raad volgde.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling blijft gehandhaafd.

Conclusie

09/01516
Mr L. Strikwerda
Parket, 1 okt. 2010
conclusie inzake
[Verzoeker]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het tijdig door verzoeker tot cassatie, hierna: [verzoeker], ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het gerechtshof te Arnhem van 2 april 2009. Bij dit arrest heeft het hof op het hoger beroep van [verzoeker] bekrachtigd het vonnis van de rechtbank Zutphen van 23 februari 2009 waarbij de bij vonnis van de rechtbank van 3 oktober 2006 ten aanzien van [verzoeker] van toepassing verklaarde schuldsaneringsregeling op grond van het bepaalde bij art. 350 lid Pro 3, aanhef en onder c en e, Fw tussentijds is beëindigd en is verstaan dat [verzoeker] in staat van faillissement zal verkeren zodra het vonnis van 23 februari 2009 in kracht van gewijsde is gegaan.
2. Het cassatieberoep berust op één middel dat, als ik goed zie, drie klachten bevat. De klachten kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
3. De eerste klacht (cassatierekest onder 4.2) houdt in dat het hof niet heeft onderkend dat [verzoeker] in aanmerking komt voor een loonvervangende uitkering, zodat - anders dan het hof heeft geoordeeld - geen sprake kan zijn van de situatie dat [verzoeker]s bestaande schuldeisers benadeeld, geen gehoudenheid voor [verzoeker]s bestaat om elders op de arbeidsmarkt zijn verdiencapaciteiten te benutten, en er ook geen sprake van is dat [verzoeker] zijn informatieverplichting niet naar behoren is nagekomen.
4. De klacht faalt omdat zij berust op een ontoelaatbaar feitelijk novum in cassatie. Uit de gedingstukken blijkt niet (het middel noemt ook geen vindplaatsen) dat [verzoeker] in feitelijke instantie heeft aangevoerd dat hij in aanmerking komt voor een loonvervangende uitkering.
5. De tweede klacht (cassatierekest onder 4.3) keert zich tegen het oordeel van het hof - in r.o. 3.7 - dat niet aannemelijk is dat [verzoeker] de boedelachterstand ongedaan zou kunnen maken.
6. De strekking van de klacht is mij niet geheel duidelijk geworden. Voor zover de klacht wil betogen dat het gewraakte oordeel van het hof onbegrijpelijk is, nu - zoals het hof heeft overwogen - niet vaststaat hoe hoog de boedelachterstand is, faalt de klacht omdat zij berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Uit de eerste alinea van r.o. 3.7 blijkt dat het hof kennelijk ervan is uitgegaan dat de boedelachterstand, ook al staat niet exact vast hoe hoog deze werkelijk is, ten tijde van het wijzen van het arrest ruim Euro 5.500,- bedroeg.
7. De derde klacht (cassatierekest onder 4.4.) verwijt het hof in r.o. 3.5 geen recht te hebben gedaan aan de situatie en het belang van [verzoeker] door hem niet meer tijd te gunnen voor het aantrekken van middelen ten behoeve van de handelsonderneming waarvoor [verzoeker] werkzaam is en het verzoek van [verzoeker] tot aanhouding van de behandeling van de zaak af te wijzen.
8. De klacht faalt omdat het oordeel omtrent de vraag of voldoende klemmende redenen aanwezig zijn om de behandeling van de zaak aan te houden, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, en de in de slotalinea van r.o. 3.5 gegeven motivering op grond waarvan het hof het verzoek van [verzoeker] heeft afgewezen geenszins onbegrijpelijk is.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,