ECLI:NL:PHR:2010:BN9459
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging schuldsaneringsregeling en faillissementsverklaring na tussentijdse beëindiging
De zaak betreft een cassatieberoep van verzoeker tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem, waarin het hof de tussentijdse beëindiging van zijn schuldsaneringsregeling heeft bekrachtigd en heeft vastgesteld dat verzoeker in staat van faillissement zal verkeren zodra het arrest in kracht van gewijsde is gegaan.
Verzoeker stelde dat hij in aanmerking kwam voor een loonvervangende uitkering en dat daardoor geen sprake was van benadeling van schuldeisers, maar deze klacht faalde omdat dit een nieuw feitelijk element betrof dat niet in eerdere instanties was aangevoerd.
Daarnaast betwistte verzoeker het oordeel van het hof over de boedelachterstand, maar deze klacht werd verworpen omdat het hof aannam dat de achterstand ruim €5.500 bedroeg. Ten slotte stelde verzoeker dat het hof onvoldoende rekening had gehouden met zijn belangen door geen uitstel te verlenen voor het aantrekken van middelen voor zijn onderneming, maar ook deze klacht werd afgewezen omdat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk was.
De Procureur-Generaal concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 RO Pro, wat de Hoge Raad volgde.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling blijft gehandhaafd.