ECLI:NL:PHR:2010:BN9460

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/00898
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 F ROArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling wegens toerekenbare tekortkoming in sollicitatieplicht

Het arrest betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof te 's-Gravenhage, dat het vonnis van de rechtbank Rotterdam bekrachtigde. De rechtbank had vastgesteld dat verzoekers toerekenbaar tekort waren geschoten in de nakoming van hun sollicitatieplicht binnen de schuldsaneringsregeling, wat leidde tot weigering van de schone lei.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof een duidelijke maatstaf had gehanteerd voor de sollicitatieplicht, namelijk ten minste vier schriftelijke sollicitaties per maand, inschrijving bij het Centrum voor Werk en Inkomen en uitzendbureaus, en het informeren van de bewindvoerder. Verzoekers hadden zich vrijwel uitsluitend beperkt tot open sollicitaties, wat onvoldoende was.

De Hoge Raad verwierp de klachten dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat verzoekers tekort waren geschoten en dat deze tekortkoming hen toerekenbaar kon worden toegerekend. Argumenten zoals lage opleiding, taalbeheersing, lichamelijke gebreken en de slechte arbeidsmarkt konden de verplichting tot optimale inspanning niet opheffen.

Het cassatieberoep werd verworpen met toepassing van artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, zonder dat beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling nodig was.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de schone lei wordt geweigerd wegens toerekenbare tekortkoming in de sollicitatieplicht.

Conclusie

10/00898
Mr L. Strikwerda
Parket, 1 okt. 2010
conclusie inzake
1. [Verzoeker 1]
2. [Verzoeker 2]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het tijdig door verzoekers tot cassatie, hierna: [verzoeker] c.s., ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 25 februari 2010. Bij dit arrest heeft het hof op het hoger beroep van [verzoeker] c.s. bekrachtigd het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 januari 2010, waarbij de rechtbank heeft vastgesteld dat [verzoeker] c.s. toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van een of meer uit de ten aanzien van hen bij vonnis van de rechtbank van 31 augustus 2006 van toepassing verklaarde schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, meer bepaald de sollicitatieverplichting, en daarom de "schone lei" heeft geweigerd.
2. Het cassatieberoep berust op drie middelen. De in de middelen aangevoerde klachten kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
3. In de kern klagen de middelen erover dat het hof - in r.o. 5 en 6 - op ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat [verzoeker] c.s. zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun sollicitatieplicht en dat deze tekortkoming hen ook toerekenbaar is, en dat de rechtbank daarom terecht tot het oordeel is gekomen dat verlening van een schone lei niet op haar plaats is.
4. De klacht dat het hof op ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat [verzoeker] c.s. zijn tekortgeschoten in hun sollicitatieplicht, is ongegrond.
5. Het hof heeft - in r.o. 3 - ter beoordeling van de vraag of aan de sollicitatieplicht is voldaan als maatstaf geformuleerd dat ten minste vier maal per maand een schriftelijke sollicitatie (exclusief open sollicitaties) wordt verricht, dat de schuldenaar zich inschrijft bij het Centrum voor Werk en Inkomen en bij enkele uitzendbureaus, en dat de schuldenaar de bewindvoerder, gevraagd en ongevraagd, op de hoogte houdt van zijn sollicitatieactiviteiten door toezending van kopieën van sollicitatiebrieven en inschrijvingsbewijzen. Deze door het hof geformuleerde maatstaf is in cassatie niet bestreden.
6. Voorts heeft het hof - in r.o. 4 en 5 - vastgesteld dat blijkens de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting [verzoeker] c.s. zich bij de invulling van hun sollicitatieplicht vrijwel uitsluitend hebben beperkt tot open sollicitaties. Deze vaststelling door het hof is in cassatie evenmin bestreden.
7. In het licht van dit een en ander is het oordeel van het hof dat [verzoeker] c.s. niet in voldoende mate aan hun sollicitatieplicht hebben voldaan, niet onbegrijpelijk of anderszins ontoereikend gemotiveerd.
8. De klacht dat het hof op ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat de tekortkoming in hun sollicitatieplicht [verzoeker] c.s. ook kan worden toegerekend, is eveneens ongegrond.
9. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de door de middelen genoemde omstandigheden waarop [verzoeker] c.s. zich hebben beroepen (lage opleiding, gebrekkige taalbeheersing, lichamelijke gebreken, de gezinssituatie, de financiële crisis, de slechte situatie op de arbeidsmarkt) kunnen verklaren dat het voor [verzoeker] c.s. niet gemakkelijk is om betaald werkt te vinden, maar niet kunnen afdoen aan de verplichting om desondanks een optimale inspanning te leveren om betaald werk te vinden. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,