ECLI:NL:PHR:2010:BO0102

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/03231 W
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 1 onder d Verdrag overbrenging gevonniste personen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling omzetting Duitse gevangenisstraf en onderzoeksplicht rechtbank

De Rechtbank Groningen verklaarde de tenuitvoerlegging van een Duitse gevangenisstraf toelaatbaar en legde een gevangenisstraf van 1471 dagen op, waarvan 365 dagen voorwaardelijk. Veroordeelde stelde cassatie in tegen het oordeel dat de rechtbank geen onderzoek hoefde te doen naar de mogelijkheid van vervroegde invrijheidstelling in Duitsland na het uitzitten van de helft van de straf.

De Hoge Raad overwoog dat de verdediging in eerste aanleg geen beroep had gedaan op deze mogelijkheid, zodat de rechtbank niet gehouden was dit ambtshalve te onderzoeken. De Duitse strafrechtelijke positie kan afhankelijk zijn van omstandigheden die bij de executieovername nog onbekend zijn, waardoor de rechter zich moet baseren op waarschijnlijkheid.

De rechtbank had bovendien rekening gehouden met een schrijven van het Ministerie van Justitie van Noordrijn-Westfalen waarin werd aangegeven dat tweederde van de straf op 10 juli 2012 zou zijn uitgezeten en dat geen bezwaren bestonden tegen omzetting in een voorwaardelijke straf vanaf die datum.

De Hoge Raad vond geen reden tot vernietiging en verwierp het cassatieberoep. Hiermee is bevestigd dat bij omzetting de strafrechtelijke positie van de veroordeelde niet mag worden verzwaard en dat de procedures van de Staat van tenuitvoerlegging leidend zijn.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de rechtbank hoefde geen onderzoek te doen naar vervroegde invrijheidstelling in Duitsland.

Conclusie

Nr. 10/03231 W
Mr. Machielse
Zitting 5 oktober 2010
Conclusie inzake:
[Veroordeelde]
1. De Rechtbank Groningen heeft op 26 mei 2010 de tenuitvoerlegging in Nederland van de rechterlijke beslissing van het Landgericht Kleve toelaatbaar verklaard en aan veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd van 1471 dagen, waarvan 365 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, aan welke straf de rechtbank een bijzondere voorwaarde heeft verbonden.
2. Veroordeelde heeft cassatie ingesteld en mr. M.E. Bosman, advocaat te Arnhem, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.
3.1. Het middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte geen onderzoek heeft ingesteld naar de mogelijkheid dat de veroordeelde in Duitsland na expiratie van de helft van de daar opgelegde straf vervroegd in vrijheid zou worden gesteld. De rechtbank had ambtshalve te onderzoeken of de strafrechtelijke positie van veroordeelde door de omzetting van de Duitse in de Nederlandse straf niet werd verzwaard.
3.2. Artikel 11 lid 1 onder Pro d van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (Trb. 1983, 74), waarop de steller van het middel klaarblijkelijk het oog heeft, luidt aldus:
"1. Ingeval van omzetting van de veroordeling zijn de in de wetgeving van de Staat van tenuitvoerlegging voorziene procedures van toepassing. Bij omzetting van de veroordeling:
(...)
d. zal de bevoegde autoriteit de strafrechtelijke positie van de gevonniste persoon niet verzwaren en is niet gebonden aan een eventueel minimum waarin door de wet van de Staat van tenuitvoerlegging wordt voorzien voor het gepleegde strafbare feit of de gepleegde strafbare feiten."
3.3. In feitelijke aanleg heeft de verdediging geen beroep gedaan op een mogelijkheid dat naar Duits recht veroordeelde na ommekomst van de helft van de opgelegde straf in vrijheid kon worden gesteld. Voor de rechtbank bestond dan ook niet de noodzaak om een onderzoek naar deze mogelijkheid in te stellen.
De werkelijke duur van de in het buitenland opgelegde vrijheidsstraf is dikwijls afhankelijk van omstandigheden en beslissingen die ten tijde van de executieovername nog onbekend zijn. Dat kan ertoe leiden dat de rechter zijn oordeel noodgedwongen moet baseren op de waarschijnlijkheid van de onderscheiden strafrechtelijke positie van de veroordeelde in de staat van veroordeling dan wel de staat van tenuitvoerlegging.(1)
3.4. De rechtbank heeft voor haar inschatting van de datum van een mogelijke vervroegde invrijheidstelling in Duitsland kennelijk acht geslagen op een schrijven van het Ministerie van Justitie van de deelstaat Noordrijn-Westfalen van 9 april 2010, waarin het volgende is te lezen:
"Het einde van de straf is bepaald op 10-05-2014; op 10-07-2012 zal tweederde van de gevangenisstraf zijn uitgezeten. Er bestaan vanuit het oogpunt van de Duitse autoriteiten geen bedenkingen tegen een omzetting van de straf in een voorwaardelijke gevangenisstraf met ingang van laatstgenoemde datum."
Gelet op de inhoud van dit document heeft de rechtbank de Duitse straf kunnen converteren in de straf zoals die is opgelegd.
Het middel faalt.
4. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 HR 30 september 2003, LJN AI0051.