ECLI:NL:PHR:2010:BO0184

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/04792
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over gebruik van de echtelijke woning na echtscheiding en inschrijving in registers

In deze zaak staat het geschil centraal over het gebruik van de echtelijke woning na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De vrouw vorderde het exclusieve gebruik van de woning tot zes maanden na inschrijving, terwijl de man het huurderschap van de woning wilde verkrijgen vanaf de dag van inschrijving.

De rechtbank wees het verzoek van de vrouw af en kende het huurderschap toe aan de man. Het gerechtshof bekrachtigde dit oordeel en stelde dat de vrouw onvoldoende belang had bij voortgezet gebruik, mede omdat de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking door het lopende cassatieberoep nog op zich liet wachten, waardoor de vrouw ruim de tijd had om een nieuwe woning te zoeken.

De vrouw stelde twee middelen in cassatie aan: ten eerste dat het hof haar belang ten onrechte onvoldoende had erkend, en ten tweede dat het hof onvoldoende gemotiveerd had beslist over het huurderschap van de man. De Hoge Raad oordeelde dat het belang van de vrouw inmiddels was komen te vervallen omdat de termijn van zes maanden na inschrijving was verstreken en dat de uitleg van het hof over het verzoek van de vrouw begrijpelijk was. Het cassatieberoep werd daarom verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen en het verzoek tot voortgezet gebruik van de woning afgewezen.

Conclusie

Zaaknr. 09/04792
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Parket, 8 oktober 2010
Conclusie inzake:
[De vrouw]
tegen
[De man]
Deze zaak leent zich voor een verkorte conclusie.
1.1 Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 19 maart 2008 is tussen verzoekster tot cassatie, de vrouw, en verweerder in cassatie, de man, de echtscheiding uitgesproken(1), welke beschikking op 31 december 2009 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand(2).
1.2 Bij beschikking van 9 juli 2008 heeft de rechtbank Amsterdam - voor zover thans van belang - het door de vrouw bij verweerschrift ingediende zelfstandige verzoek om te bepalen dat zij met uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning tot zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, afgewezen en het door de man bij verweerschrift nevenvoorzieningen ingediende zelfstandige verzoek om te bepalen dat hij met ingang van de dag van inschrijving van de uitspraak der echtscheiding huurder zal zijn van de echtelijke woning, uitvoerbaar bij voorraad toegewezen.
1.3 Op het door de vrouw ingestelde beroep heeft het gerechtshof Amsterdam bij beschikking van 1 september 2009 de beschikking van de rechtbank bekrachtigd en het meer of anders gevorderde afgewezen.
De vrouw heeft tijdig(3) beroep in cassatie ingesteld. De man heeft een verweerschrift ingediend.
1.4 Middel 1 komt op tegen het oordeel van het hof in rechtsoverweging 4.2 dat de vrouw haar belang bij het voortgezet gebruik van de woning niet voldoende heeft aangetoond, mede gelet op de omstandigheid dat de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking door het lopende cassatieberoep nog enige tijd op zich zal laten wachten en de vrouw derhalve ruim de tijd heeft een woning te zoeken(4).
1.5 Nu de echtscheidingsbeschikking op 31 december 2009 is ingeschreven, is de termijn die de vrouw heeft verzocht voor voortgezet gebruik van de woning met uitsluiting van de man, te weten: zes maanden met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, verstreken. Daarmee komt het belang aan middel 1 te ontvallen(5).
1.6 Middel 2 klaagt dat de beslissing van het hof onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd nu het hof ten onrechte niet, althans onvoldoende kenbaar, heeft beslist op dat deel van het hoger beroep dat was gericht op ongedaanmaking van de toewijzing van het huurderschap van de man.
1.7 De vrouw heeft het hof in het petitum van haar beroepschrift verzocht:
"(...) de aangevallen beschikking van de rechtbank Amsterdam te vernietigen en te bepalen, dat de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van de uitspraak der echtscheiding huurder zal zijn van de bedoelde echtelijke woning en/of te bepalen dat de vrouw met uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning tot zes maanden na de inschrijving van de uitspraak der echtscheiding, kosten rechtens."
1.8 Bij pleidooi heeft de advocaat van de vrouw over de reikwijdte van het verzoek van de vrouw in hoger beroep aanvankelijk het volgende gesteld(6):
"Ik hoor u vragen of ik thans alleen het voortgezet gebruik van de echtelijke woning vraag. In eerste aanleg heb ik niet meer gevraagd, ik heb het verzoek in hoger beroep niet vermeerderd. Na cassatie zal de echtscheidingsbeschikking onmiddellijk worden ingeschreven. Ik hoor u zeggen dat ik in hoger beroep wel heb verzocht het huurrecht aan de vrouw toe te wijzen. Ik blijf bij het verzoek zoals in het appelschrift."
Daarvan is de advocaat tijdens de zitting ter gelegenheid van het pleidooi evenwel als volgt teruggekomen(7):
"Ik wijzig toch mijn verzoek in hoger beroep, ik verzoek thans nog slechts het voortgezet gebruik van de echtelijke woning van zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking."
1.9 Tegen deze achtergrond acht ik de uitleg door het hof van het verzoek in appel van de vrouw - dat thans slechts nog het verzoek strekkende tot het gebruik van de voormalig echtelijke woning tot zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand voorligt - welke uitleg in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst(8), geenszins onbegrijpelijk. Voor zover middel 2 nog de zelfstandige klacht bevat dat het hof ten onrechte aan een eventueel gebrek aan belang van de vrouw bij voortgezet gebruik de consequentie verbonden heeft dat het huurderschap aan de man moest worden toebedeeld, faalt die klacht door gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft een dergelijke redenering niet gevolgd.
1.10 Nu beide middelen falen, dient het cassatieberoep te worden verworpen. Dit kan m.i. met toepassing van art. 81 RO Pro.
2. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Rov. 2.1 van de beschikking van het hof Amsterdam.
2 Prod. 1 bij verweerschrift in cassatie.
3 Het verzoekschrift tot cassatie is op 26 november 2009 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad.
4 Inmiddels is door de Hoge Raad op het cassatieberoep beslist bij beschikking van 11 december 2009, LJN BK0869; zie prod. 4 bij verweerschrift in cassatie.
5 Anders dan in het verweerschrift onder 3.1 wordt betoogd brengt dit niet mee dat de vrouw in zoverre niet-ontvankelijk is in haar beroep, maar leidt dit tot verwerping van het beroep (vgl. HR 9 juli 2010, LJN BM2337).
6 P-v. 11 juni 2009, p. 2.
7 P-v. 11 juni 2009, p. 2.
8 Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen, 2005, nrs. 103 en 169; W.D.H. Asser, Civiele Cassatie, 2003, p. 49.