Art. 27 EEX-VerdragArt. 34 EEX-VerordeningArt. 66 EEX-VerordeningArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 149 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling van regelmatige en tijdige betekening bij exequaturverzoek op grond van art. 27 EEX-Verdrag
Deze zaak betreft een exequaturverzoek op grond van het EEX-Verdrag voor de tenuitvoerlegging in Nederland van een Duits verstekvonnis. De verzoeker stelde dat het gedinginleidende stuk niet regelmatig en niet tijdig was betekend, waardoor de weigeringsgrond van art. 27, aanhef en onder 2, EEX-Verdrag van toepassing zou zijn.
De rechtbank Alkmaar wees het verzet van verzoeker af, waarna de Hoge Raad het vonnis vernietigde en het geding terug verwees naar het gerechtshof Amsterdam. Het hof bevestigde dat de betekening van het inleidende gedingstuk volgens Duits recht rechtsgeldig was verricht, ook al was dit een openbare betekening vanwege onbekende verblijfplaats van verzoeker. Tevens oordeelde het hof dat de termijn van twee weken voor het stellen van procureur voldoende was gezien de omstandigheden.
De Hoge Raad overwoog dat de beoordeling van regelmatigheid van betekening moet plaatsvinden aan de hand van het recht van de staat van herkomst, terwijl de beoordeling van tijdigheid een verdragsautonoom begrip is dat zelfstandig door de aangezochte rechter moet worden beoordeeld. Het hof heeft dit correct toegepast en de klachten van verzoeker werden verworpen. Het bewijsaanbod van verzoeker werd terecht als niet ter zake dienend gepasseerd.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het arrest van het hof dat het exequaturverzoek niet kan worden geweigerd op grond van de gestelde tekortkomingen in betekening.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het exequaturverzoek wordt toegestaan.
Conclusie
09/02324
Mr L. Strikwerda
Zt. 8 okt. 2010
conclusie inzake
[Verzoeker]
tegen
Deutsche Paracelsus Schulen für Naturheilfahren GmbH
Edelhoogachtbaar College,
1. Deze zaak, die reeds eerder in cassatie heeft gediend (zie HR 9 juli 2004, nr. C03/071HR, NJ 2004, 621) betreft een verzoek op de voet van het EEX-Verdrag (Verdrag van 27 september 1968, Trb. 1969, 101) om verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van een Duits verstekvonnis. Inzet van de zaak is de vraag of het exequturverzoek moet afstuiten op de weigeringsgrond van art. 27, aanhef en onder 2, EEX-Verdrag. De bepaling luidt:
"Beslissingen worden niet erkend:
(...);
2. indien het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, niet regelmatig en zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, is betekend of is medegedeeld."
2. Wat de procesgang betreft, blijkt uit de gedingstukken het volgende.
(i) Bij een op 21 juni 2000 ter griffie van de rechtbank Alkmaar ingekomen verzoekschrift heeft thans verweerster in cassatie, hierna: DPS, zich gewend tot de president van die rechtbank en deze verzocht haar op de voet van het EEX-Verdrag verlof te verlenen het tussen haar als eiseres en thans eiser tot cassatie, hierna: [verzoeker], als gedaagde gewezen Versäumnisurteil d.d. 17 april 1998 van het Landgericht te Bielefeld (BRD) in Nederland ten uitvoer te leggen.
(ii) Bij beschikking van 17 juli 2000 heeft de president DPS het gevraagde verlof verleend.
(iii) Bij dagvaarding van 8 februari 2001 heeft [verzoeker] op de voet van art. 36 EEXPro-Verdrag bij de rechtbank Alkmaar verzet gedaan tegen de beschikking van de president. [Verzoeker] heeft zich beroepen op de weigeringsgrond van art. 27, aanhef en onder 2, EEX-Verdrag. Hij heeft daartoe gesteld dat het inleidende gedingstuk - een Klageschrift van 22 december 1997 van DPS - dat tot het genoemde Versäumnisurteil heeft geleid, volgens de bepalingen van het toepasselijke Duitse burgerlijk procesrecht niet regelmatig aan hem is betekend en dat hem bij de betekening bovendien niet de tijd is vergund die met het oog op zijn verdediging nodig was. DPS heeft het verzet bestreden.
(iv) Bij vonnis van 31 oktober 2002 heeft de rechtbank [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet.
(v) [Verzoeker] heeft tegen het vonnis van de rechtbank op de voet van art. 37 EEXPro-Verdrag beroep in cassatie ingesteld.
(vi) De Hoge Raad heeft bij voormeld arrest van 9 juli 2004 het vonnis van de rechtbank vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het gerechtshof te Amsterdam.
3. Dit hof heeft bij arrest van 27 januari 2009 het verzet ongegrond verklaard en de beschikking van 17 juli 2000 van de president van de rechtbank Alkmaar bevestigd. Het hof verwierp het beroep van [verzoeker] op de weigeringsgrond van art. 27, aanhef en onder 2, EEX-Verdrag en overwoog daartoe onder meer als volgt.
4. Het hof heeft vastgesteld dat het betoog van [verzoeker] dat het inleidend gedingstuk niet regelmatig is betekend op twee gronden berust. De eerste grond is dat dit stuk ten onrechte openbaar met toepassing van hetgeen daarover is bepaald in par. 203 van de Duitse Zivilprozessordnung zoals destijds geldend, hierna: de ZPO (oud), is betekend, omdat de verblijfplaats van [verzoeker] toen niet in de zin van par. 203 ZPO (oud) onbekend was. De tweede grond is dat de openbare betekening niet heeft voldaan aan hetgeen daarover in par. 205 ZPO (oud) is bepaald, omdat het in het kader van zo'n betekening te publiceren uittreksel van het inleidende gedingstuk, niet het onderwerp van het rechtsgeschil vermeldt.
5. Met betrekking tot de eerstbedoelde grond overwoog het hof dat par. 203 ZPO (oud) - voor zover thans van belang - de openbare betekening van een stuk dat een geding inleidt toelaat indien de verblijfplaats ("der Aufenthalt") van de partij tegen wie dit stuk is gericht onbekend is (r.o. 2.4). Vervolgens overwoog het hof (r.o. 2.5):
"Niet in geschil is dat DPS voordat zij het inleidende gedingstuk openbaar heeft doen betekenen, ter zake van de woonplaats van [verzoeker] navraag heeft gedaan bij de bevolkingsadministratie - het Einwohnermeldeamt - van de gemeente Bielefeld, waar [verzoeker] eerder woonachtig is geweest, dat zij daar enkel heeft vernomen dat deze naar Nederland was verhuisd en dat haar ten tijde van de betekening geen (nadere) verblijfplaats van [verzoeker] bekend was. Evenmin is in geschil dat het Landgericht Bielefeld bij beslissing van 8 januari 1998 aan DPS toestemming heeft verleend om het inleidende gedingstuk openbaar te doen betekenen, bij gebreke van een bekende verblijfplaats van [verzoeker]. Voorts blijkt uit niets dat DPS nochtans uit enige bron bekend kon, en behoorde te, zijn met de verblijfplaats van [verzoeker] (in Nederland) toen zij het inleidende gedingstuk openbaar deed betekenen. Onder deze omstandigheden moet ervan worden uitgegaan dat [verzoeker]s verblijfplaats toentertijd onbekend was en kan, in aanmerking genomen het bepaalde in paragraaf 203 ZPO (oud), niet worden gezegd dat het inleidende stuk ten onrechte openbaar is betekend."
6. Ten aanzien van de tweede grond die [verzoeker] ten grondslag heeft gelegd aan zijn betoog dat het inleidend gedingstuk niet regelmatig is betekend, overwoog het hof (r.o. 2.7):
"Niet in geschil is dat zowel het bij het Landgericht Bielefeld bekend gemaakte als het in de Duitse staatscourant - der Bundesanzeiger - gepubliceerde uittreksel geen vermelding bevat van de rechtsbetrekking waaraan de vordering van DPS is ontleend of van de grond of gronden waarop de vordering stoelt. Evenmin in geschil is dat beide uittreksels wél een uitdrukkelijke opgave bevatten van de vordering van DPS, waaruit blijkt dat deze een geldvordering inhoudt en waarbij de gevorderde hoofdsom, met nevenvorderingen (rente en kosten), is vermeld.. Voorts blijkt uit niets dat het Landgericht Bielefeld, dat de vordering bij het Versäumnisurteil van 17 april 1998 heeft toegewezen, die opgave niet genoegzaam heeft geoordeeld. Onder deze omstandigheden kan, in aanmerking genomen dat blijkens de bedoelde uittreksels het onderwerp van het rechtsgeschil een geldvordering is tot het daarin vermelde bedrag, met nevenvorderingen, niet worden gezegd dat de openbare betekening niet heeft voldaan aan het bepaalde in paragraaf 205 ZPO (oud)."
7. Voorts heeft het hof vastgesteld dat [verzoeker] zich ter onderbouwing van zijn stelling dat het inleidende gedingstuk niet zo tijdig aan hem is betekend als met het oog op zijn verdediging nodig was, erop beroept dat hem daarbij een termijn van slechts twee weken was gegeven om procureur te stellen en (door deze) kenbaar te maken dat hij zich tegen de vordering wilde verweren.
8. Dienaangaande overwoog het hof (r.o. 2.8):
"Op de eerste plaats miskent [verzoeker] dat het Landgericht Bielefeld op betrekkelijk korte - en hierdoor eenvoudig te bereizen - afstand van Nederland, waarheen hij was verhuisd, is gelegen, zodat reeds hierom niet valt in te zien dat een termijn van twee weken voor het stellen van procureur te kort is geweest. Op de tweede plaats miskent [verzoeker] dat het aan hemzelf is te wijten dat hij zonder achterlating van een voor DPS te kennen verblijfplaats uit Duitsland is verhuisd, zodat het evenzeer aan hemzelf is te wijten dat DPS het inleidende gedingstuk openbaar heeft doen betekenen en daarbij een - naar Duits burgerlijk procesrecht toegestane - termijn van twee weken voor procureurstelling heeft aangehouden. Hij had hierop bedacht dienen te zijn. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat [verzoeker] bij de betekening niet de tijd is vergund die met het oog op zijn verdediging nodig was."
9. Ten slotte heeft het hof het bewijsaanbod van [verzoeker] als niet ter zake dienend gepasseerd (r.o. 2.9).
10. [Verzoeker] is tegen het arrest van het hof (tijdig; zie art. 5 UitvoeringswetPro EEX-Verdrag, Wet van 4 mei 1972, Stb. 240) in cassatie gekomen met één middel dat verscheidene klachten bevat. DPS heeft het middel bestreden met conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.
11. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, heeft overwogen en beslist dat niet is gebleken dat de eisen van art. 27, aanhef en onder 2, EEX-Verdrag niet in acht zijn genomen. Deze algemene klacht wordt in de toelichting op het middel uitgewerkt in een aantal afzonderlijke klachten.
12. Bij de beoordeling van deze klachten dient het volgende vooropgesteld te worden.
13. Het EEX-Verdrag is per 1 maart 2002 vervangen door de EEX-Verordening (Verordening (EG) nr. 44/2001, PbEG 2001 L 12). De in deze procedure ingeroepen weigeringsgrond van art. 27, aanhef en onder 2, EEX-Verdrag verschilt op onderdelen van de overeenkomstige weigeringsgrond van art. 34, aanhef en onder 2, EEX-Verordening. Zie daarover P. Vlas, in: Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Verdragen & Verordeningen, EEX-Verordening, Art. 34, aant. 3. In de onderhavige zaak is de weigeringsgrond van art. 27, aanhef en onder 2, EEX-Verdrag van toepassing. Uit het eerder in deze zaak gewezen arrest van de Hoge Raad van 9 juli 2004 volgt immers dat het onderhavige exequaturverzoek ingevolge de overgangsbepaling van art. 66 EEXPro-Verordening wordt beheerst door het EEX-Verdrag. Het hof is daar - terecht niet bestreden in cassatie - ook van uitgegaan.
14. Uit art. 27, aanhef en onder 2, jo. art. 34 EEXPro-Verdrag volgt dat een bij verstek gewezen rechterlijke beslissing slechts voor tenuitvoerlegging in een andere verdragsluitende staat in aanmerking komt indien het gedinginleidende stuk regelmatig en zo tijdig als met het oog op de verdediging van de verweerder tegen wie verstek werd verleend, is betekend. Zie over art. 27, aanhef en onder 2, EEX-Verdrag o.m.: R.Ch. Verschuur, Vrij verkeer van vonnissen, diss. 1995, blz. 138-143; M.V. Polak, in: H. Oudelaar (red.), Vademecum Burgerlijk Procesrecht, Executie en Beslag, 2001, Hoofdstuk 74, De Europese verdragen: EEX en EVEX, blz. 761 e.v., blz. 807-816; J. Kropholler, Europäisches Zivilprozeßrecht, 7. Aufl., 2002, blz. 400-410; P.F. Schlosser, EU-Zivilprozessrecht, 2. Aufl., 2003, blz. 232-244; R. Geimer & R.A. Schütze, Europäisches Zivilverfahrensrecht, 2. Aufl. 2004, blz. 554-571; M. Zilinsky, De Europese executoriale titel, diss. 2005, blz. 100-115; P. Vlas, in: Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Verdragen & Verordeningen, EEX-Verdrag, Art. 27, aant. 3, en EEX-Verordening, Art. 34, aant. 3.
15. De twee vereisten die art. 27, aanhef en onder 2, EEX-Verdrag aan de betekening van het gedinginleidende stuk stelt, regelmatigheid en tijdigheid, gelden cumulatief. Aan beide vereisten moet zijn voldaan, wil een exequatur op een bij verstek gewezen vonnis kunnen worden verleend. Vgl. HvJEG 16 juni 1981, zk 166/80 (Klomps/Michel), Jur. 1981, p. 1593, NJ 1983, 305 nt. JCS; HvJEG 3 juli 1990, zk C-305/88 (Lancray/Peters), Jur. 1990, p. I-2725, NJ 1993, 75 nt. JCS; HvJEG 12 november 1992, zk C-123/91 (Minalmet/Brandeis), Jur. 1992, p. I-5661, NJ 1996, 297.
16. De vraag of aan de vereisten van een regelmatige en tijdige betekening van het gedinginleidende stuk is voldaan, dient de rechter van de aangezochte staat zelfstandig te onderzoeken. Hij is daarbij niet gebonden aan hetgeen daaromtrent door de rechter van de staat van herkomst is overwogen. Vgl. HvJEG 16 juni 1981 (Klomps/Michel) en HvJEG 15 juli 1982, zk 228/81 (Pendy Plastic/Pluspunkt), Jur. 1982, p. 2723, NJ 1983, 782 nt. WHH.
17. De vraag of aan het regelmatigheidsvereiste is voldaan, dient de rechter van de aangezochte staat te beoordelen aan de hand van het recht - zowel het commune recht als het verdragsrecht - van de staat van herkomst. Vgl. HvJEG 16 juni 1981 (Klomps/Michel). Het regelmatigheidsvereiste houdt niet in dat het gedinginleidende stuk de verweerder ook daadwerkelijk moet hebben bereikt. Indien het recht van de staat van herkomst voorziet in bepaalde vormen van betekening van het gedinginleidende stuk die, ongeacht of de verweerder daadwerkelijk kennis heeft genomen van het stuk, als geldig worden beschouwd, bijvoorbeeld een openbare betekening of een betekening aan een fictieve woonplaats, dan geldt deze betekening als regelmatig in de zin van art. 27, aanhef en onder 2, EEX-Verdrag. Vgl. HvJEG 16 juni 1981 (Klomps/Michel). Zie ook HR 11 oktober 1966, NJ 1988, 95 nt. ThMdB.
18. De vraag of aan het tijdigheidsvereiste is voldaan, dient de rechter van de aangezochte staat zelfstandig, los van het oordeel van de rechter van de staat van herkomst, te beoordelen. Vgl. HvJEG 16 juni 1981 (Klomps/Michel). Wat "tijdig" is, geeft art. 27, aanhef en onder 2, EEX-Verdrag niet aan en ook het Hof van Justitie heeft zich daarover niet uitgelaten. Beslissend zijn de omstandigheden van het geval. Kennelijk gaat het bij het tijdigheidsvereiste om een verdragsautonoom begrip. Vgl. HvJEG 11 juni 1985, zk 49/84 (Debaecker/Bouwman), Jur. 1985, p. 1779, NJ 1986, 290 nt. JCS. Zie ook Schlosser, a.w., blz. 239, RdNr 17c en 17d. De termijn waarop het tijdigheidsvereiste betrekking heeft, vangt in beginsel aan op het tijdstip waarop de regelmatige betekening van het gedinginleidende stuk heeft plaatsgevonden. Dit geldt ook indien een wijze van betekening is gehanteerd die geldig is, ongeacht of het stuk de verweerder daadwerkelijk heeft bereikt. Slechts onder uitzonderlijke omstandigheden mag van dit aanvangstijdstip worden afgeweken. Vgl. HvJEG 16 juni 1981 (Klomps/Michel). Zie voorts Polak, a.w., blz. 814, en Kropholler, a.w., blz. 406, RdNr 36.
19. Ik keer terug naar het middel. De algemene klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, heeft overwogen en beslist dat niet is gebleken dat de eisen van art. 27, aanhef en onder 2, EEX-Verdrag niet in acht zijn genomen wordt, als ik het goed zie, uitgewerkt in zes afzonderlijke klachten.
20. De eerste klacht (cassatiedagvaarding onder 18 en 19) houdt in dat het hof heeft miskend dat het bij de beoordeling van de vraag of aan de voorwaarden van art. 27, aanhef en onder 2, EEX-Verdrag is voldaan, niet dient te toetsen aan het recht van het land van herkomst, maar aan de hand van de maatstaf van die bepaling zelf. Zo het hof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel in het licht van de stellingen en bewijsaanbiedingen van [verzoeker] onbegrijpelijk, aldus de klacht.
21. Voor zover de klacht wil betogen dat het hof de vraag of aan het regelmatigheidsvereiste van art. 27, aanhef en onder 2, EEX-Verdrag is voldaan, had behoren te toetsen aan de hand van de bepaling zelf en niet aan de hand van het recht van de staat van herkomst, berust zij op een onjuiste rechtsopvatting. In overeenstemming met de hierboven onder 17 vermelde jurisprudentie van het Hof van Justitie heeft het hof blijkens r.o. 2.4 t/m 2.7 terecht het recht van de staat van herkomst, in casu het Duitse recht, maatgevend geoordeeld bij de beoordeling van de vraag of het gedinginleidende stuk regelmatig aan [verzoeker] is betekend.
22. Voor zover de klacht wil betogen dat het hof de vraag of aan het tijdigheidsheidsvereiste van art. 27, aanhef en onder 2, EEX-Verdrag is voldaan, had behoren te toetsen aan de hand van de bepaling zelf en niet aan de hand van het recht van de staat van herkomst, mist zij feitelijke grondslag. Aangenomen dat de klacht met "toetsen aan de hand van de bepaling zelf" bedoelt dat het tijdigheidsvereiste door de aangezochte rechter verdragsautonoom, dat wil zeggen: niet aan de hand van het recht van de staat van herkomst en/of van het recht van de aangezochte staat, maar zelfstandig aan de hand van de omstandigheden van het geval, moet worden beoordeeld, heeft het hof blijkens r.o. 2.8 deze maatstaf in acht genomen. Het hof heeft immers zelfstandig aan de hand van de omstandigheden van het geval onderzocht of [verzoeker] bij de betekening de tijd is vergund die met het oog op zijn verdediging nodig was.
23. De subsidiaire klacht dat het oordeel van het hof in het licht van de stellingen en bewijsaanbiedingen van [verzoeker] onbegrijpelijk is, voldoet niet aan de ingevolge art. 407 lid 2 RvPro aan een cassatieklacht te stellen eisen. De klacht geeft in het geheel niet aan welke beslissingen of overwegingen die het hof in het kader van zijn beoordeling van het regelmatigheidsvereiste en/of het tijdigheidsvereiste heeft gegeven, onbegrijpelijk zouden zijn.
24. De tweede klacht (cassatiedagvaarding onder 20) verwijt het hof te hebben miskend dat de norm van art. 27, aanhef en ander 2, EEX-Verdrag inhoudt dat de rechter van de aangezochte staat zich er zelf van dient te overtuigen dat, toegespitst op openbare betekening van het gedinginleidende stuk, de verzoeker alles heeft gedaan dat in redelijkheid van hem gevergd kan worden alvorens tot openbare betekening over te gaan, en daarbij niet kan volstaan met het nalopen van de door het recht van de staat van herkomst gestelde vereisten en in ieder geval niet kan volstaan met het constateren dat naar het oordeel van de rechter van de staat van herkomst aan die vereisten in voldaan.
25. De klacht faalt. Zij mist feitelijke grondslag voor zover zij stelt dat het hof zich bij de beoordeling van de vraag of aan het regelmatigheidsvereiste is voldaan, heeft beperkt tot de constatering dat naar het oordeel van de Duitse rechter aan die vereisten is voldaan. Blijkens r.o. 2.4 t/m 2.7 heeft het hof de vraag zelfstandig beoordeeld door de regelmatigheid van de betekening te toetsen aan het Duitse recht, meer bepaald aan par. 203 (oud) en 205 (oud) ZPO. Voor zover de klacht wil betogen dat het hof evenmin had mogen volstaan met een toetsing aan het Duitse recht, berust zij - evenals het desbetreffende onderdeel van de eerste klacht - op een onjuiste rechtsopvatting. Verwezen zij naar hetgeen hierboven onder 17 is aangetekend.
26. De derde klacht (cassatiedagvaarding onder 25 en 26) keert zich tegen het oordeel van het hof - in r.o. 2.5 - dat uit niets blijkt dat DPS uit enige bron bekend kon, en behoorde te, zijn met de verblijfplaats van [verzoeker] (in Nederland) toen zij het inleidende gedingstuk openbaar deed betekenen. Volgens de klacht is dit oordeel rechtens onjuist althans onbegrijpelijk gelet op de stellingen en bewijsaanbiedingen van [verzoeker], zoals weergegeven in de cassatiedagvaarding onder 25, en gelet op de toepasselijke Nederlandse regelgeving, met name de door art. 98 lid 1 WetPro GBA geboden mogelijkheid om informatie te verwerven.
27. De klacht kan niet tot cassatie leiden. Zij verliest uit het oog dat de vraag welke inspanningen DPS zich bij het achterhalen van de verblijfplaats van [verzoeker] had moeten getroosten om gerechtigd te zijn het gedinginleidende stuk openbaar te doen betekenen, door het hof is - en ook moest - worden beoordeeld aan de hand van de desbetreffende bepalingen van het Duitse recht. De vraag of het hof de door de klacht bedoelde feiten en omstandigheden in zijn beoordeling had behoren te betrekken, kan derhalve niet worden beoordeeld zonder in te gaan op de inhoud en strekking van het Duitse recht inzake de voorwaarden die gelden voor een openbare betekening en zonder het oordeel van het hof dienaangaande op juistheid te toetsen. Daarvoor is echter, gelet op art. 79 lidPro 1, aanhef en onder 2, RO, in cassatie geen plaats. Weliswaar berust het onderhavige cassatieberoep op art. 37 EEXPro-Verdrag, maar aangezien dit artikel wat de inhoud en strekking van het rechtsmiddel betreft verwijst naar het nationale procesrecht van de rechter van de aangezochte staat, is de Hoge Raad bij de beoordeling van het cassatiemiddel gebonden aan voornoemde bepaling van RO. Vgl. HR 11 oktober 1996, NJ 1998, 95 nt. ThMdB.
28. De vierde klacht (cassatiedagvaarding onder 27) verwijt het hof met zijn oordeel in r.o. 2.5 te hebben miskend dat het de vraag of de betekening van het gedinginleidende stuk voldeed aan de vereisten van art. 27, aanhef en onder 2, EEX-Verdrag, niet mocht afdoen met toepassing van art. 149 RvPro, nu het in deze niet gaat om feiten waarover partijen vrijelijk kunnen beschikken. Zo het hof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel onbegrijpelijk gelet op de stellingen en bewijsaanbiedingen van [verzoeker], aldus de klacht.
29. De klacht is mij niet geheel duidelijk geworden. Voor zover de klacht wil betogen dat de rechter van de aangezochte staat, nu hij onder het EEX-Verdrag gehouden is ambtshalve te onderzoeken of sprake is van de weigeringsgrond van art. 27, aanhef en onder 2, ook gehouden is ambtshalve de relevante feiten en omstandigheden te achterhalen, berust zij op een onjuiste rechtsopvatting. Algemeen wordt aangenomen dat de rechter van de aangezochte staat ambtshalve dient te onderzoeken of de betekening van het gedinginleidende stuk in de zin van art. 27, aanhef en onder 2, regelmatig en tijdig heeft plaatsgevonden. Vgl. Polak, a.w., blz. 802, Kropholler, a.w., blz. 380 RdNr 6, en Vlas, a.w., EEX-Verdrag, Art. 27, aant. 1. Dat betekent echter niet dat de rechter bij het door hem te verrichten onderzoek buiten de grenzen van de door partijen aangevoerde feitelijke stellingen mag treden en bij dat onderzoek niet gebonden zou zijn aan het voorschrift van art. 149 (en art. 24) Rv. Vgl. Vlas, a.w., EEX-Verdrag, Art. 27, aant. 1. De motiveringsklacht, die kennelijk voortbouwt op de onjuiste rechtsopvatting die aan de rechtsklacht ten grondslag ligt, kan evenmin doel treffen.
30. De vijfde klacht (cassatiedagvaarding onder 29) houdt in dat het hof heeft miskend dat het bewijs van de regelmatige en tijdige betekening van het gedinginleidende stuk ingevolge art. 27, aanhef en onder 2, EEX-Verdrag respectievelijk de hoofdregel van bewijsrecht rust op DPS.
31. De klacht faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft zich in het bestreden arrest niet uitgesproken over de vraag op wie de bewijslast rust met betrekking tot de vraag of het gedinginleidende stuk regelmatig en tijdig is betekend.
32. De zesde klacht (cassatiedagvaarding onder 29) verwijt het hof - in r.o. 2.9 - [verzoeker] ten onrechte niet tot bewijs resp. tegenbewijs te hebben toegelaten. Het hof zou een ontoelaatbare prognose hebben gemaakt omtrent de uitkomst van de bewijslevering respectievelijk zijn oordeel onbegrijpelijk hebben gemotiveerd.
33. De klacht kan niet tot cassatie leiden. Nog daargelaten dat de klacht niet aangeeft met betrekking tot welke door [verzoeker] gestelde feiten het hof [verzoeker] tot bewijslevering had moeten toelaten, mist de stelling dat het hof zich zou hebben schuldig gemaakt aan een ontoelaatbare prognose met betrekking tot de uitkomst van de bewijslevering, feitelijke grondslag. Uit het bestreden arrest blijkt niet dat het hof het bewijsaanbod van [verzoeker] heeft gepasseerd op grond van een prognose omtrent de uitkomst van de bewijslevering. Het hof heeft als grond aangegeven dat [verzoeker] geen feiten heeft aangevoerd en te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere beslissing kunnen leiden en het bewijsaanbod derhalve als niet ter zake dienend gepasseerd.
34. Voor zover de klacht zo moet worden begrepen dat zij voortbouwt op de derde klacht en dat zij het hof verwijt ten onrechte te hebben geoordeeld dat de daar bedoelde, in de cassatiedagvaarding onder 25 weergegeven stellingen van [verzoeker] inzake het regelmatigheidsvereiste geen feiten betreffen die, indien bewezen, tot een andere beslissing kunnen leiden, moet de klacht op dezelfde grond stranden als de derde klacht: de vraag of de gestelde feiten ter zake dienend zijn kan niet worden beoordeeld zonder in te gaan op de inhoud en strekking van het Duitse recht en zonder het oordeel van het hof dienaangaande op juistheid te toetsen. Daarvoor is echter, gelet op art. 79 lidPro 1, aanhef en onder 2, RO, in cassatie geen plaats.
35. De slotsom van het vorenstaande is dat geen van de door het middel aangevoerde klachten doel kan treffen.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.