ECLI:NL:PHR:2010:BO0194
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling kinderalimentatie en benutting restverdiencapaciteit na echtscheiding
In deze zaak draait het om de vaststelling van kinderalimentatie na echtscheiding en de vraag of de man zijn resterende verdiencapaciteit kan benutten.
De vrouw verzocht om vaststelling van kinderalimentatie wegens gewijzigde financiële omstandigheden. De rechtbank wees dit af, maar het hof vernietigde dit en legde een alimentatieplicht op aan de man. De man stelde cassatieberoep in tegen het oordeel van het hof dat hij draagkracht heeft ondanks zijn beperkte winstgevendheid en gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn verdiencapaciteit niet kan benutten. Het hof had daarbij meegewogen dat de man niet voornemens is zijn bedrijf te staken en geen pogingen doet tot loondienst, en dat hij geen medische stukken overlegd had die zijn onvermogen tot werken onderbouwen.
De Hoge Raad verwierp de klachten over het oordeel van het hof, waaronder de motivering en het gebruik van UWV-beoordelingen, en bevestigde dat het hof een eigen waardering van de feiten heeft gemaakt die niet in cassatie kan worden herzien. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen; het hof oordeelt terecht dat hij zijn resterende verdiencapaciteit kan benutten voor kinderalimentatie.