A-G
1. De belanghebbende heeft op 16 april 2004 pro forma bezwaar gemaakt. Uit de uitspraak op bezwaar volgt dat de naheffingsaanslag pas op 29 april 2004 is opgelegd. Het rapport van het boekenonderzoek is gedagtekend 20 februari 2004. Nu noch de Rechtbank, noch het Hof hier melding van maken, ga ik er van uit dat het bezwaar ontvangen is op grond van art. 6:10 (1)(b) Algemene wet bestuursrecht.
2 Rechtbank Arnhem 28 april 2008, nr. AWB 06/4661, LJN BD2545, V-N 39.2.5, NTFR 2009/1588 (tevens gepubliceerd onder LJN BI5099 en in NTFR 2009/1207).
3 Gerechtshof Arnhem 25 augustus 2009, nr. 08/00252, LJN BJ7120, V-N 2009/58.1.3, NTFR 2009/2004 met commentaar Van Es.
4 Aldus 's Hofs vaststellingen. Ik merk op dat deze contractdatum ná de datum van overmaking van het geld ligt, hetgeen een ongebruikelijke volgorde van gebeurtenissen lijkt. Wel was op 3 juli 2000 al een Service Agreement tot stand gekomen. Zie r.o. 2.8 Hof.
5 Na het onderzoek ter zitting heeft het Hof het vooronderzoek heropend en bij de Inspecteur schriftelijke inlichtingen ingewonnen; toevoeging PJW.
6 HR 23 maart 1983, nr. 21 686, LJN AW8935, BNB 1983/140, V-N 1983/1084, FED 1983/1704.
7 HR 1 maart 2002, nr. 36 020, LJN AD9708, BNB 2002/141, met noot Van Kesteren, V-N 2002/14.25, FED 2002/132.
8 HR 21 september 1994, nr. 29 356, na conclusie Van Soest, BNB 1995/16, met noot Hoogendoorn.
9 HR 6 februari 2004, nr. 38 191, na conclusie Wattel, LJN AN8656, BNB 2004/267, met noot Aardema, V-N 2004/11.7, NTFR 2004/209, met commentaar De Vries, FED 2004/79.
10 Originele voetnoot: HR 17 april 1991, BNB 1991/218.
11 Originele voetnoot: U zie onder meer HR 22 juni 1921, B. 2843 (het staat de feitenrechter vrij bewijsmiddelen te aanvaarden of af te wijzen naarmate hem dit geraden voorkomt. Eveneens is hij vrij in het bepalen van de waarde die hij aan het ten bewijze aangevoerde wenst toe te kennen.); HR 22 juni 1960, 14. 271, BNB 1960/255, m.nt. P. den Boer; HR 24 maart 1971, 16 488, BNB 1971/84; HR 10 maart 1999, nr. 33 840, V-N 1999/16.12; HR 16 juni 1999, nr. 34 473, V-N 2002/50.4; HR 14 maart 2003, nr. 37 797, V-N 2003/19.5. Zie ook Meyjes e.a.: Fiscaal procesrecht, Deventer, 4e druk 1997, blz. 105 en 107, E.B. Pechler, Belastingprocesrecht, Fiscale Monografieën 107, Deventer, 2003, blz. 147-156; M.W.C. Feteris, Formeel Belastingrecht, Fiscale Hand- en Studieboeken nr. 9, Deventer, 1999, blz. 215, 217-221; R.M.P.G. Niessen-Cobben, Behoorlijk fiscaal procesrecht, Arnhem, 1995, blz. 165,166, 169 en 171; C.H.J. Langereis Hoofdlijnen fiscaal procesrecht, Fiscale Studieserie nr. 7, Deventer, 1999, blz. 140; R.J. Koopman, Bewijslast in belastingzaken, Fiscale Monografieën nr. 78, Deventer, 1996, blz. 37.
12 Originele voetnoot: Feteris, t.a.p., blz. 220-221, Niessen-Cobben, t.a.p., blz. 166, en 169; R.J. Koopman, t.a.p., blz. 38.
13 Originele voetnoot: HR 19 juni 1974, nr. 17 363, BNB 1974/194; HR 30 november 1977, nr. 18 588, BNB 1978/8; In deze zin bijvoorbeeld ook Meyjes c.s., t.a.p., blz. 127, en Pechler, t.a.p., blz. 149.
14 Originele voetnoot: Zie onder meer Pechler, t.a.p., blz. 148; Langereis, t.a.p., blz.. 139. en Feteris, t.a.p., blz. 218-219.
15 R.J. Koopman, Bewijslast in belastingzaken, Deventer: Kluwer 1996, blz. 97-98.
16 Zie voor vindplaatsen voetnoot 11.
17 Vgl. Koopman, t.a.p., blz. 109.
18 Zie M.W.C. Feteris, Formeel belastingrecht, Deventer: Kluwer 2007, blz. 306.
19 Kamerstukken II 2003/2004, 29 251, nr. 3 (MvT), blz. 9 (Wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Algemene wet inzake rijksbelastingen en enige andere wetten in verband met de invoering van beroep bij de rechtbank, alsmede van hoger beroep bij het gerechtshof, in belastingzaken (Wet belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties)).
20 J.W. van den Berge, 'Het object van appèl in belastingzaken', in: R.H. Happé e.a. (red.), Hoger beroep in de steigers, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2003, blz. 94.
21 Wet van 29 december 1993, Stb. 1994, 1, in werking per 1 januari 1994.
22 Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3 (MvT), blz. 141-142 (Wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Algemene wet bestuursrecht, de Wet op de Raad van State, de Beroepswet, de Ambtenarenwet 1929 en andere wetten, alsmede intrekking van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie)).
23 Art. 24a(2) AWR is per 1 januari 1998 ingevoegd bij wet van 18 december 1997 tot wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van de Invorderingswet 1990 in verband met de herziening van het stelsel van bestuurlijke boeten en van het fiscale strafrecht, Stb. 1997, 738.
24 HR 29 november 1989, nr. 25 158, na conclusie Verburg, LJN ZC4155, BNB 1990/118, met noot Scheltens, V-N 1990/378, FED 1990/184, met noot Streppel. Zie over de achtergrond van de ontwikkeling van het fiscale boeterecht en art. 24a(2) AWR: F.J.P.M. Haas, Bestuurlijke boeten in het belastingrecht, Deventer: Kluwer 2009, blz. 1-12 en 123-124.
25 Bij wet van 15 december 2004, Stb. 2004, 672, (Wet belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties) is, ingaande 1 2005 januari, de huidige tekst van art. 26b(2) AWR ingevoegd.
26 Bij wet van 15 december 2004, Stb. 2004, 672, (Wet belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties) is, ingaande 1 2005 januari, de huidige tekst van art. 27h(4) AWR ingevoegd.
27 Bij wet van 15 december 2004, Stb. 2004, 672, (Wet belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties) is, ingaande 1 2005 januari, de huidige tekst van art. 28(6) AWR ingevoegd.
28 Kamerstukken II 1997/98, 24 800, nr. 10, blz. 1 (Wijziging van enkele wetten in verband met de
herziening van het stelsel van bestuurlijke boeten en van het fiscale strafrecht (Invoeringswet bestuurlijke boeten)).
29 Kamerstukken II 1997/98, 25 175, nr. 5 (NnavV), blz. 6 (Aanpassing van het fiscale procesrecht aan de Algemene wet bestuursrecht en wijziging van een aantal fiscale en andere wetten (herziening van het fiscale procesrecht)).
30 Kamerstukken II 2003/2004, 29 251, nr. 3 (MvT), blz. 9-10.
31 Toevoeging PJW: in het oorspronkelijke wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 16 december 2004, Stb. 2004, 672 (Wet belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties) was de litigieuze bepaling opgenomen in het vijfde lid van art. 27h AWR; zie Kamerstukken II 2003/04, 29 251, nr. 2, blz. 6.
32 Kamerstukken II 2003/2004, 29 251, nr. 3, blz. 28.
33 Toevoeging PJW: in het oorspronkelijke wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 16 december 2004, Stb. 2004, 672 (Wet belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties) was de litigieuze bepaling opgenomen in het vijfde lid van art. 27h AWR; zie Kamerstukken II 2003/04, 29 251, nr. 2, blz. 6.
34 Kamerstukken II 2003/04, 29 251, nr. 6, blz. 9.
35 Kamerstukken II 2003/04, 29 251, nr. 6, blz. 12-13.
36 Kamerstukken II 2003/04, 29 251, nr. 3 (MvT), blz. 33.
37 Toevoeging PJW: in het oorspronkelijke wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 16 december 2004, Stb. 2004, 672 (Wet belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties) was de litigieuze bepaling opgenomen in het vijfde lid van art. 27h AWR; zie Kamerstukken II 2003/04, 29 251, nr. 2, blz. 6.
38 HR 4 december 2009, nr. 08/02258, na conclusie Wattel, LJN BG7213, BNB 2010/65, met noot Van Amersfoort, V-N 2009/62.3, NTFR 2009/2683, met commentaar Den Ouden. Dat het een belanghebbende in beginsel vrijstaat zich ook in hoger beroep te verweren op elke grond is bevestigd in HR 16 april 2010, nr. 09/01091, LJN BM1239, V-N 2010/21.4, NTFR 2010/952, met commentaar Den Ouden (r.o. 3.2.2.).
39 HR 5 februari 2010, nr. 08/00829, na conclusie Van Hilten, LJN BG4124, BNB 2010/131, met noot Bijl, V-N 2010/10.23, NTFR 2010/619, met commentaar Sitsen en Nieuwenhuizen, FED 2010/55, met noot Hummel.
40 PJW: in casu was een verzuimboete opgelegd ad € 4.092 (dat is 10% van de niet in geschil zijnde correcties) wegens te late betaling (art. 67c(1) AWR); zie onderdeel 4.13 van de conclusie van A-G Van Hilten.
41 HR 4 juni 2010, nr. 09/01362, na conclusie IJzerman, LJN BL7972, V-N 2010/26.8, NTFR 2010/1380, met commentaar Den Ouden.
42 P.J. van Amersfoort, 'De devolutieve werking van het (hoger) beroep', WFR 2005/144, blz. 147.
43 R.E.J. Dolfin, 'Het herziene fiscale procesrecht; de stand van zaken na de invoering van de tweede feitelijke instantie en de mogelijkheid van rechtstreeks beroep', MBB 2005/3, blz. 83.
44 M.W.C. Feteris, t.a.p., blz. 497.
45 J. Lamens & R.F.C. Spek, 'Incidenteel hoger beroep; nut en noodzaak', in: L.J.A. Pieterse (red.), Draaicirkels van formeel belastingrecht (Niessen-bundel), Amersfoort: Sdu Uitgevers 2009, blz. 226.
46 J. Lamens & R.F.C. Spek, t.a.p., blz. 227.
47 A.J.H. van Suilen & R. den Ouden, 'Knelpunten in hoger beroep (deel 1): capita selecta', NTFR-B 2009/46, blz. 12. In het tweede deel van hun artikel herhalen zij dat standpunt: A.J.H. van Suilen & R. den Ouden, 'Knelpunten in hoger beroep (deel 2): de omvang van het incidentele beroep', NTFR-B 2009/46, blz. 7. Dat zij van mening zijn dat art. 27h(4) jo. 24a(2) AWR in hoger beroep ook de inspecteur beschermt, blijkt ook uit de onderhavige Hofuitspraak aangezien beide auteurs in de zetel zaten.
48 Cleiren en Nijboer, Tekst & Commentaar Strafvordering 2009, art. 407, aant. 1.
50 HR 26 november 1986, nr. 23 553, LJN AW7823, BNB 1987/31, met noot J.P. Scheltens, V-N 1987/22, FED 1986/1360.
51 HR 23 september 1992, nr. 27 293, na conclusie Verburg, LJN ZC5105, BNB 1993/193, met noot Den Boer, V-N 1993/1151, FED 1993/655, met noot Juch.
52 M.W.C. Feteris, t.a.p., blz. 350-351.
53 F.J.P.M. Haas, t.a.p., blz. 23-24.
54 HR 22 april 1998, nr. 33 198, BNB 1998/201.
55 HR 7 september 1988, nr. 24 884, LJN ZC3892, BNB 1988/319, met noot Van Dijck, V-N 1988/2806, FED 1988/766.
56 HR 22 april 2005, nr. 37 984, na conclusie Wattel, LJN AO9006, BNB 2005/337, met noot Feteris, V-N 2005/22.6, NTFR 2005/591, met commentaar Van de Merwe, FED 2005/110, met noot Marres.
57 HR 19 december 2008, nr. 42 763, na conclusie Niessen, LJN BD0191, BNB 2009/201, met noot De Bont, V-N 2008/62.7, NTFR 2008/2495, met commentaar Van de Merwe.