ECLI:NL:PHR:2010:BO0412

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 oktober 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/02167
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 184 FwArt. 186 FwArt. 187 lid 1 FwArt. 317 FwArt. 349 lid 5 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling kring gerechtigden voor verzet tegen uitdelingslijst in faillissement

In deze zaak heeft verzoekster cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage waarin zij niet-ontvankelijk werd verklaard in haar verzoek om een bedrag van €4.328,- te verlagen. De rechtbank oordeelde dat verzoekster niet tot de kring der gerechtigden behoorde die zich kunnen verzetten tegen de uitdelingslijst op grond van artikel 184 van Pro de Faillissementswet.

Verzoekster stelde dat ook niet-geverifieerde schuldeisers op grond van artikel 349 lid 5 in Pro samenhang met artikel 186 Faillissementswet Pro verzet kunnen indienen tegen de slotuitdelingslijst. De Hoge Raad overwoog dat artikel 186 Fw Pro weliswaar verzet mogelijk maakt voor niet-geverifieerde schuldeisers, mits aan strikte voorwaarden wordt voldaan, waaronder tijdige indiening van de vordering bij de curator en het verzoek om verificatie. Uit de stukken bleek dat verzoekster niet aan deze voorwaarden had voldaan en slechts een bezwaarschrift had ingediend volgens artikel 184 Fw Pro.

De Hoge Raad bevestigde dat verzoekster daardoor geen schuldeiser is in de zin van artikel 184 Fw Pro en dat de rechtbank terecht tot niet-ontvankelijkheid had beslist. Tevens wees de Hoge Raad op een alternatieve rechtsweg via artikel 317 Fw Pro, waarmee verzoekster mogelijk haar vordering had kunnen effectueren.

De Hoge Raad verwierp het cassatieverzoek en bevestigde daarmee de eerdere beslissing van de rechtbank.

Uitkomst: Het cassatieverzoek wordt verworpen omdat verzoekster niet voldoet aan de voorwaarden voor verzet tegen de uitdelingslijst.

Conclusie

10/02167
Mr. L. Timmerman
Parket: 23 juli 2010
Conclusie inzake:
[Verzoekster]
verzoekster tot cassatie,
Verkorte conclusie
1.1 Bij beschikking van 20 mei 2010 heeft de rechtbank 's-Gravenhage [verzoekster] niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om het uit te keren bedrag te verlagen met € 4.328,-. De rechtbank komt - kort gezegd - tot dit oordeel omdat [verzoekster] niet tot de kring der gerechtigden ingevolg art. 184 Fw Pro behoort die zich kan verzetten tegen de uitdelingslijst.
1.2 Tegen dit arrest heeft [verzoekster] tijdig(1) beroep in cassatie ingesteld.
1.3 Het verzoekschrift bevat 1 cassatiemiddelen dat faalt.
Het middel betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [verzoekster] niet tot de kring der gerechtigden behoort. Volgens het middel kunnen ingevolge art. 349 lid 5 Fw Pro in samenhang met art. 186 Fw Pro ook niet-geverifieerde schuldeisers verzet indienen tegen de slotuitdelingslijst.
1.4 Art. 186 Fw Pro bepaalt dat een niet-geverifieerde schuldeiser verzet kan doen met als doel geverifieerd te worden. De schuldeiser moet dan (i) uiterlijk twee dagen voor de dag, waarop het verzet zal worden behandeld, de vordering bij de curator indienen, (ii) een afschrift daarvan bij het bezwaarschrift voegen en (iii) bij dit bezwaarschrift tevens het verzoek doen geverifieerd te worden. Uit de stukken blijkt niet dat [verzoekster] aan deze voorwaarden heeft voldaan. [Verzoekster] heeft enkel een bezwaarschrift ingediend in de zin van art. 184 Fw Pro. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat [verzoekster] geen schuldeiser is in de zin van dat artikel.
1.5 M.i. stond er voor [verzoekster] een andere rechtsweg open. Art. 317 Fw Pro verleent aan de schuldenaar onder andere de mogelijkheid om bij de rechter-commissaris een bevel uit te lokken dat de bewindvoerder een bepaalde handeling zal verrichten. Langs deze weg had [verzoekster] mogelijk kunnen bewerkstelligen dat het bedrag van de boedelrekening waarop zij meende recht te hebben aan haar zouden worden uitgekeerd.
2. Conclusie
Ik concludeer tot verwerping van het cassatieverzoek.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Het verzoekschrift is ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 28 mei 2010, overeenkomstig de in art. 187 lid 1 Fw Pro genoemde cassatietermijn van 8 dagen.