ECLI:NL:PHR:2010:BO0415
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot wettelijke schuldsanering wegens gebrek aan goede trouw
De rechtbank Almelo wees het verzoek van verzoekster tot toepassing van de wettelijke schuldsanering af omdat zij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de afgelopen vijf jaar.
Verzoekster ging in hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem, dat het vonnis van de rechtbank bekrachtigde. Het hof stelde vast dat verzoekster bijstandsfraude had gepleegd, hetgeen zij niet heeft kunnen weerleggen. Ook hield het hof rekening met de aard van de schuld, de ouderdom, culturele achtergrond en leefwijze van verzoekster, maar concludeerde dat de fraudeschuld niet te goeder trouw was ontstaan.
Verzoekster stelde in cassatie onder meer dat het hof onvoldoende rekening had gehouden met alle omstandigheden en dat ook Europese regelgeving en mensenrechten in de beoordeling betrokken hadden moeten worden. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat toetsing aan artikel 288 lid 1 onder Pro b Faillissementswet primair op nationaal recht is gebaseerd. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot wettelijke schuldsanering wordt afgewezen wegens het niet te goeder trouw ontstaan van de schulden.