ECLI:NL:PHR:2010:BO0415

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 oktober 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/02602
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 onder b FwArt. 292 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot wettelijke schuldsanering wegens gebrek aan goede trouw

De rechtbank Almelo wees het verzoek van verzoekster tot toepassing van de wettelijke schuldsanering af omdat zij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de afgelopen vijf jaar.

Verzoekster ging in hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem, dat het vonnis van de rechtbank bekrachtigde. Het hof stelde vast dat verzoekster bijstandsfraude had gepleegd, hetgeen zij niet heeft kunnen weerleggen. Ook hield het hof rekening met de aard van de schuld, de ouderdom, culturele achtergrond en leefwijze van verzoekster, maar concludeerde dat de fraudeschuld niet te goeder trouw was ontstaan.

Verzoekster stelde in cassatie onder meer dat het hof onvoldoende rekening had gehouden met alle omstandigheden en dat ook Europese regelgeving en mensenrechten in de beoordeling betrokken hadden moeten worden. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat toetsing aan artikel 288 lid 1 onder Pro b Faillissementswet primair op nationaal recht is gebaseerd. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot wettelijke schuldsanering wordt afgewezen wegens het niet te goeder trouw ontstaan van de schulden.

Conclusie

10/02602
mr. L. Timmerman
Parket, 27 juli 2010
Conclusie inzake:
[Verzoekster]
Verzoekster tot cassatie
Verkorte conclusie
1.1 Bij vonnis van 27 april 2010 heeft de rechtbank Almelo het verzoek van [verzoekster] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsanering afgewezen - kort gezegd - omdat [verzoekster] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de afgelopen vijf jaar te goeder trouw is geweest.
1.2 [Verzoekster] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Arnhem.
Het hof heeft de zaak ter zitting van 7 juni 2010 inhoudelijk behandeld. Bij arrest van 14 juni 2010 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
1.3 Tegen dit arrest heeft [verzoekster] tijdig(1) beroep in cassatie ingesteld.
1.4 Het cassatiemiddel bevat twee klachten die beide falen.
Het middel komt op tegen rechtsoverweging 3.5 en 3.6 van het arrest van het hof en betoogt dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat [verzoekster] ten aanzien van het doen ontstaan en/of onbetaald laten van zijn schulden niet te goeder trouw is geweest. De eerste klacht betoogt - kort samengevat - dat het hof onvoldoende rekening heeft gehouden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de schuld, de ouderdom, de culturele achtergrond en leefwijze van [verzoekster] waardoor het verzoek alsnog zou moeten worden toegewezen.
1.5 Het hof heeft in rov. 3.5 aangegeven dat vaststaat dat de bijstandsfraude is gepleegd nu [verzoekster] de procedure tegen de terugvorderingsbeslissing heeft ingetrokken. Nu het tegendeel niet vast is komen staan, kan het hof niet anders dan dit als vaststaand aanmerken. Anders dan de klacht stelt heeft het hof wel degelijk gekeken naar de aard van de schuld. Het hof heeft aangegeven dat naar de aard deze fraudeschuld als niet te goeder trouw ontstaan is. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. Bij toetsing aan art. 288 lid 1 onder Pro b Fw dient de rechter met alle omstandigheden rekening te houden, zoals de mate waarin de schuldenaar een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft de inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren. [Verzoekster] heeft aangevoerd dat zij in een volledig van haar echtgenoot afhankelijke positie verkeerde en haar echtgenoot de fraude heeft gepleegd. Deze omstandigheden dienen mee te wegen bij de beoordeling. Nu [verzoekster] van het ten onrechte ontvangen bedrag in 2007 een bedrag van € 1.230,- aan haar moeder in Afghanistan heeft overgemaakt, kon het hof niet anders dan ook deze omstandigheid meewegen in de beoordeling. Het hof heeft hieruit afgeleid dat ze wel over het geld van de ten onrechte verkregen uitkering kon beschikken. Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat [verzoekster] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de schuld niet te goeder trouw is geweest en dus niet wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsanering.
1.6 De tweede klacht voert - kort gezegd - aan dat de mate waarin een aan de schuldenaar als verzoekster van het ontstaan of onbetaald laten een verwijt gemaakt kan worden niet alleen aan de wet omschreven gedragsmaatstaf, maar tevens aan EU regelgeving, in de meest uitgebreide zin, EVRM, IVRK en EU Handvest van de Grondrechten getoetst dient te worden. Het hof heeft volgens de klacht dan ook ten onrechte alleen aan regels van nationaal recht getoetst en niet of de reikwijdte van art. 288 lid 1 onder Pro b Fw verder gaat dan alleen een toetsing aan nationale wetgeving.
1.7 [Verzoekster] voert in cassatie voor het eerst aan dat het hof ten onrechte alleen aan nationaal recht heeft getoetst. Dat is niet mogelijk. De klacht faalt ook.
2. Conclusie
Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Het verzoekschrift is ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 19 juni 2010, overeenkomstig de in art. 292 lid 3 Fw Pro genoemde cassatietermijn van 8 dagen