ECLI:NL:PHR:2010:BO1263

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/04295
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3a lid 5 OpiumwetArt. 6 EVRMArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest over medeplegen opzettelijk aanwezig hebben van hennep

Verdachte werd door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van circa 40.800 gram hennep in een pand te Milheeze. De tenlastelegging betrof het handelen in nauwe en bewuste samenwerking met een ander. Namens verdachte werden twee cassatiemiddelen ingediend. Het hof werd verweten de grondslag van de tenlastelegging te hebben verlaten, maar dit werd door de Hoge Raad verworpen omdat het opzet op medeplegen besloten lag in de formulering.

Het tweede middel stelde dat het bewezenverklaarde medeplegen niet uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid. De Hoge Raad oordeelde dat enkel de aanwezigheid van verdachte in en bij de woning en schuur onvoldoende is om medeplegen te bewijzen, ook al woonde verdachte daar en was de woning eigendom van zijn vriendin. Hierdoor slaagde dit middel.

Daarnaast wees de Hoge Raad op de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, maar dit punt bleef onbesproken omdat het arrest om andere redenen werd vernietigd. De zaak werd terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs voor medeplegen en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 08/04295
Mr. Vellinga
Zitting: 12 oktober 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld bij arrest van 3 oktober 2008.
2. Namens verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel houdt in dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door vrij te spreken van het opzet voor zover dat volgens de tenlastelegging is gericht op het tezamen en in vereniging plegen van het opzettelijk aanwezig hebben van materiaal, bevattende hennep.
4. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij:
"op of omstreeks 29 mei 2006 te Milheeze, gemeente Gemert-Bakel, opzettelijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand op perceel [a-straat 1]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 40800 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet."
Hiervan is - met vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde - bewezenverklaard dat hij:
"op 29 mei 2006 te Milheeze, gemeente Gemert-Bakel, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand op perceel [a-straat 1] een hoeveelheid van in totaal ongeveer 40800 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II."
5. In aanmerking genomen dat met "tezamen en in vereniging" pleegt te worden uitgedrukt dat de verdachte heeft gehandeld in bewuste en nauwe samenwerking met een ander ligt in het "tezamen en in vereniging" opzet op medeplegen besloten, zoals dat aan de aanvang van de tenlastelegging door de plaats van het "opzettelijk" ten aanzien van het tezamen en in vereniging bereiden etc. nog eens, zij het overbodig, tot uitdrukking is gebracht. Het Hof heeft dus de grondslag van de tenlastelegging niet verlaten.
6. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
7. Het tweede middel houdt in dat het bewezenverklaarde medeplegen van opzettelijk aanwezig hebben van materiaal bevattende hennep niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
8. De bewijsmiddelen houden ten aanzien van de verdachte slechts in dat hij op 31 januari 2006 en op 29 mei 2006 is aangetroffen bij een woning resp. in een woning c.q. woonwagen op het perceel [a-straat 1] te Milheeze, op welk perceel een schuur stond waarin een handel in materiaal bevattende hennep aanwezig was. Bij gebreke van enige nadere motivering valt uit die enkele aanwezigheid het bewezenverklaarde niet af te leiden, ook al was verdachtes vriendin eigenaresse van bedoelde woning en woonde verdachte daar volgens de politieadministratie ook.
9. Het middel slaagt.
10. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Verdachte heeft op 8 oktober 2008 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat sedertdien meer dan vierentwintig maanden zijn verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit punt kan echter onbesproken blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het bestreden arrest om andere redenen niet in stand kan blijven en de zaak dient te worden teruggewezen of verwezen.(1)
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358, rov. 3.5.3.