ECLI:NL:PHR:2010:BO1618
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij verhuur pand met hennepkwekerij
In deze zaak stond de vraag centraal of huurpenningen die een verhuurder ontving uit een huurovereenkomst, gesloten vóórdat de huurder een hennepkwekerij begon, konden worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel. De verhuurder was veroordeeld voor medeplichtigheid aan het telen van hennep, maar het hof oordeelde dat de huurinkomsten niet direct voortvloeiden uit het strafbare feit.
Het hof stelde dat de huurovereenkomst was aangegaan voordat de criminele activiteiten begonnen en dat het feit dat de verhuurder later op de hoogte was van de hennepkwekerij niet leidde tot een wijziging van de grondslag van de overeenkomst. Er was onvoldoende causaal verband tussen de huurpenningen en het strafbare feit, waardoor de vordering tot ontneming werd afgewezen.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat het hof onvoldoende had gemotiveerd. De Raad benadrukte dat de ontnemingsmaatregel reparatoir van aard is en alleen voordeel ontnomen mag worden dat daadwerkelijk uit het strafbare feit is verkregen. De Hoge Raad wees ook op het gevaar van ontwrichting van het economisch verkeer als normale huurinkomsten bij ontdekking van criminele activiteiten als wederrechtelijk voordeel zouden worden beschouwd.
De conclusie is dat het ontvangen van reguliere huurpenningen, ook na kennis van de hennepkwekerij, niet automatisch leidt tot ontneming, tenzij bijzondere omstandigheden zoals wetenschap bij aanvang, niet-marktconforme huur of huurverhoging zonder rechtvaardiging aanwezig zijn. De vordering tot ontneming werd daarom terecht afgewezen.
Uitkomst: De vordering tot ontneming van huurpenningen als wederrechtelijk verkregen voordeel is afgewezen.