ECLI:NL:PHR:2010:BO1637

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/03700
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor rijden onder invloed van cannabinoïden zonder vereiste toename risico ongeluk

Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte veroordeeld wegens overtreding van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, omdat hij op 1 januari 2007 onder invloed van cannabinoïden een voertuig bestuurde terwijl hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

Verdachte stelde cassatieberoep in met twee middelen: dat het bewezenverklaarde onvoldoende was gemotiveerd en dat de in zijn bloed aangetroffen THC-concentratie van 0,003 mg/l te laag was om zijn rijvaardigheid negatief te beïnvloeden. De Hoge Raad overweegt dat voor veroordeling niet vereist is dat het risico op ongelukken significant is toegenomen.

Uit het bewijs, waaronder verklaringen van de verbalisant over de waargenomen weedlucht en sloomheid, en een deskundigenrapport dat recent cannabisgebruik nadelig is voor de rijvaardigheid, mocht het hof concluderen dat verdachte onder zodanige invloed verkeerde dat hij niet behoorlijk kon besturen.

De Hoge Raad verwerpt de middelen en bevestigt het oordeel van het hof dat de bewezenverklaring voldoende gemotiveerd is. Er is geen noodzaak voor nadere motivering en geen reden om de uitspraak ambtshalve te vernietigen. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor rijden onder invloed van cannabinoïden ondanks lage THC-concentratie.

Conclusie

Nr. 09/03700
Mr. Knigge
Zitting: 12 oktober 2010 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte bij arrest van 12 december 2008 wegens "Overtreding van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. H.J. Naber, advocaat te Dordrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde (rijden onder invloed) niet naar behoren is gemotiveerd; uit de bewijsmiddelen zou niet kunnen worden afgeleid dat verdachte verkeerde onder zodanige invloed van een stof dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht. Het tweede middel betoogt dat het Hof onvoldoende gemotiveerd heeft gerespondeerd op het zijdens verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de in zijn bloed aangetroffen concentratie van 0,003 mg/l THC te laag is om te kunnen concluderen dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
5. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:
"hij op 1 januari 2007 te Gorinchem als bestuurder van een voertuig (bestelauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten cannabinoïden, waarvan hij redelijkerwijs moest weten dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet behoorlijk besturen in staat moest worden geacht."
6. Ik stel voorop dat in gevallen als de onderhavige beslissend is of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte onder een zodanige invloed van de desbetreffende stof(fen) verkeerde dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht. Niet nodig is dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat sprake is geweest van feitelijk gevaar, afwijkend rijgedrag van de verdachte en/of uiterlijke kenmerken waaruit de conclusie mag worden getrokken dat de verdachte niet in staat was om de auto te besturen.(1)
7. Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verbalisant, die de verdachte in Gorinchem heeft aangehouden, ten tijde van de aanhouding in de auto van verdachte een weedlucht rook. Verder constateerde de verbalisant dat verdachte sloom reageerde. Verdachte verklaarde ten overstaan van de verbalisant dat hij in de uren voorafgaande aan zijn aanhouding veel had geblowd (ongeveer één stickie per uur). Verdachte had ook nog geblowd tijdens zijn rit naar Gorinchem.(2) Verdachte heeft meegewerkt aan een bloedonderzoek en uit dat bloedonderzoek is gebleken dat in het bloedmonster stoffen zijn aangetroffen die duidden op gebruik van cannabis. Uit het als bewijsmiddel 3 gebezigde deskundigenrapport blijkt voorts dat er "internationaal onder forensische collega's consensus [bestaat] over het feit dat recent gebruik van cannabis nadelig is voor de rijvaardigheid". Volgens deskundige drs. B.E. Smink is er in dit geval - gelet op de concentratie THC die in het bloedmonster van verdachte is aangetroffen - sprake van "recent cannabisgebruik." Anders dan het middel betoogt, kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte onder zodanige invloed van cannabinoïden verkeerde dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht. De bewezenverklaring is dus wél voldoende met redenen omkleed.
8. In reactie op het namens verdachte gevoerde verweer dat de in zijn bloed aangetroffen concentratie van 0,003 mg/l THC te laag is om te kunnen concluderen dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht - welk verweer door het tweede middel als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt wordt aangemerkt - heeft het Hof het volgende overwogen:
"De raadsman heeft aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat uit het deskundigenrapport d.d. 11 juni 2007 van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: het rapport) volgt dat de in het bloed van de verdachte gevonden concentratie van 0,003 mg/l THC te laag is om de conclusie te kunnen trekken dat zijn rijvaardigheid door het gebruik van cannabis negatief is beïnvloed. Immers wordt bij de toelichting in het rapport vermeld - zakelijk weergegeven - dat bij een concentratie van THC in het bloed groter dan 0,003 à 0,005 mg/l de rijvaardigheid van de bloedgever zodanig is afgenomen, dat het risico om verantwoordelijk te zijn voor een ongeluk significant is toegenomen. Daarom dient de verdachte te worden vrijgesproken.
Anders dan de raadsman leidt het hof uit de genoemde passage, bezien in samenhang met hetgeen overigens in bedoelde toelichting is vermeld, niet af dat de verdachte niet onder een zodanige invloed van cannabinoïden verkeerde dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht. Daarbij overweegt het hof dat voor veroordeling op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 niet is vereist dat sprake is van een (significant) toegenomen kans op een ongeluk. Het verweer wordt verworpen."
9. Anders dan het tweede middel betoogt, is dit oordeel - in het licht van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen - niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het Hof niet gehouden. Voorzover het tweede middel zich (tevens) keert tegen 's Hofs oordeel dat voor een veroordeling op grond van art. 8 Wegenverkeerswet Pro 1994 niet is vereist dat sprake is van een (significant) toegenomen kans op een ongeluk, faalt ook dat middelonderdeel, nu 's Hofs oordeel strookt met de door mij in voetnoot 1 genoemde jurisprudentie en dat oordeel verder niet onbegrijpelijk is. Ik merk daarbij op dat er - anders dan de steller van het middel meent - geen lineair verband is tussen de vermindering van de rijvaardigheid en de vergroting van de kans op het veroorzaken van ongelukken. Het is immers bepaald niet uitgesloten dat de cannabisgebruiker zijn verminderde rijvaardigheid compenseert door langzamer en extra voorzichtig te rijden. (3)Dat desondanks bij THC-concentraties van meer dan 0,003 mg/l een significant grotere kans op ongelukken bestaat, vormt dus een sterke aanwijzing dat men bij een concentratie van 0,003 mg/l niet tot behoorlijk besturen in staat is.
10. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering.
11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
1 Vgl. HR 29 november 2005, LJN: AU4843; HR 21 december 2004, LJN: AR5013 en HR 1 juni 2004, LJN:AO4048.
2 Aldus de als bewijsmiddel 4 gebezigde verklaring van de verdachte.
3 Dit blijkt onder meer uit de resultaten van een Brits onderzoek van de Transport Research Laboratory (LRT) naar de rijvaardigheid van - kort samengevat - cannabisgebruikers. Zie hierover (o.m): www.cannaclopedia.be/STUDIETRL.htm