ECLI:NL:PHR:2010:BO1653
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Onaanvaardbaarheid beroep op vervalbeding in huwelijkse voorwaarden inzake verrekening huishoudkosten
De zaak betreft een geschil tussen ex-echtgenoten over de verrekening van teveel betaalde kosten van huishouding op grond van huwelijkse voorwaarden met een vervalbeding. De man vordert vergoeding van kosten die hij tijdens het huwelijk meer heeft betaald dan zijn aandeel, terwijl de vrouw zich beroept op het vervalbeding dat deze vordering na één jaar vervalt.
De rechtbank en het hof hebben het beroep van de vrouw op het vervalbeding gehonoreerd, waarbij het hof oordeelde dat geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld die het beroep op het vervalbeding onaanvaardbaar maken naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. De man stelde dat er een stilzwijgende overeenkomst was waarin werd afgesproken dat hij de meeste huishoudkosten zou dragen en de vrouw de meeste investeringskosten, maar het hof vond dat dit onvoldoende was bewezen.
De Hoge Raad bevestigt dat het aan de partij die zich beroept op onredelijkheid is om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen die het beroep op het vervalbeding onaanvaardbaar maken. Dit geldt ook voor vervalbedingen inzake huishoudkosten, waarbij de stelplicht en bewijslast niet worden omgekeerd. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het oordeel van het hof dat het beroep op het vervalbeding niet onaanvaardbaar is.
Uitkomst: Het beroep op het vervalbeding inzake verrekening van huishoudkosten is niet onaanvaardbaar, waardoor de vordering van de man wordt afgewezen.