3.3. Het in artikel 240b Sr strafbaar gestelde 'in bezit hebben' van kinderporno betreft geen scherp omlijnd juridisch begrip. Binnen het huidige tijdsgewricht, waarin de ontwikkelingen op het gebied van de informatietechnologie een hoge vlucht nemen, is een nauwkeurige definitie van het 'bezitten' van een elektronisch bestand behelsende een afbeelding van kinderpornografische aard nauwelijks te geven. Beschikkingsmacht is, lijkt mij, in elk geval een essentieel kenmerk van 'bezitten'. Het in bezit hebben van een elektronisch bestand dat een afbeelding van kinderpornografische aard inhoudt veronderstelt de mogelijkheid om te bepalen waar het bestand zich bevindt en (dus ook) de mogelijkheid om zich van dat bestand te ontdoen. Indien het bestand is vastgelegd op een gegevensdrager ligt in de beschikkingsmacht over die gegevensdrager de beschikkingsmacht over de daarop vastgelegde gegevens, het bestand, besloten.(1) Bezit veronderstelt bovendien opzet.(2) In dit verband wil dat zeggen: wetenschap (1) van het bestaan van de gegevensdrager en het bestand, (2) van de beschikking die men daarover heeft, en (3) van de kinderpornografische aard van de betreffende afbeelding. Voorwaardelijk opzet is daarbij - telkens - voldoende.
Het downloaden van bestanden die afbeeldingen bevatten waarvan de naamgeving over het karakter van die afbeeldingen weinig twijfel laat bestaan, is een bewuste blootstelling aan de aanmerkelijke kans dat men aldus kinderpornografisch materiaal binnenhaalt.(3)
Het enkele bekijken van kinderpornografie is echter niet strafbaar. In zijn brief(4) aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, waarin hij (onder meer) reageert op de (niet aangenomen) amendementen 'Dittrich c.s.'(5) en 'Van der Straaij c.s.'(6) schrijft de Minister:
'3. Amendement Dittrich c.s. onder nr. 13
Het amendement beoogt degene die via technische hulpmiddelen opzettelijk kijkt naar kinderpornografische afbeeldingen, strafbaar te stellen.
Naar mijn oordeel overschrijdt de voorgestelde wijziging het kader van het voorgestelde artikel 248c Sr. en het wetsvoorstel.
Het voorgestelde artikel 248c is uitvloeisel van het voorstel om naast seksuele uitbuiting van kinderen voor prostitutie, strafbaar gesteld in artikel 250a Sr., ook seksuele uitbuiting voor andere vormen van lijfelijke seksuele dienstverlening strafbaar te stellen. Daartoe is artikel 250a Sr. verruimd.
Voorts wordt naast en in navolging van de strafbaarstelling van de prostituant die seks heeft met een minderjarige prostituee, in artikel 248c ook strafbaar gesteld de klant die toeschouwer is van een kinderpornografische show waarin een kind optreedt. Evenals de artikelen 242 e.v. ziet artikel 248c op de lijfelijke aanwezigheid van een persoon bij seksuele dienstverlening door een minderjarige. Artikel 248c moet zo worden uitgelegd dat het niet alleen ziet op degene die aanwezig is op de plaats waar de minderjarige optreedt. Daaronder valt ook de aanwezigheid op een andere plaats dan de plaats van het optreden, wanneer beide plaatsen zich bevinden in hetzelfde gebouw. Men kan daarbij denken aan de situatie, zoals beschreven in de toelichting op het amendement, dat de toeschouwer via een gesloten televisiecircuit het optreden van het kind elders in het gebouw gadeslaat. Een amendement van deze strekking is overbodig, omdat dit geval met een redelijke uitleg van het voorgestelde artikel 248c reeds daaronder valt.
Het amendement is evenwel veel ruimer dan de toelichting beoogt aan te geven. Naar de letter wordt immers elke persoon die kijkt naar kinderporno op zijn beeldscherm (van zijn computer of zijn televisie), zonder deze in bezit te hebben, strafbaar.
Ik ben van oordeel dat de wetgever bij de vaststelling van artikel 240b bewust heeft gekozen voor de niet-strafbaarstelling van personen die alleen kijken naar kinderporno, zonder deze daadwerkelijk in bezit te hebben.
Ik meen ook dat de voorgestelde strafbaarstelling in de praktijk niet valt te handhaven, gelet op de strikt huiselijke sfeer waarin computer- of TV-gebruik zich afspeelt. Enige mogelijkheid om te controleren wie naar de gewraakte afbeeldingen kijkt, ontbreekt.
Ik wijs er ten slotte nog op dat de passage in de nota naar aanleiding van het verslag waarin gewag wordt gemaakt van de strafwaardigheid van de klant die via technische hulpmiddelen kinderpornografisch optreden elders bevordert, doelt op de persoon die daadwerkelijk betrokken is bij de bevordering van elders vervaardigde kinderporno (Kamerstukken II 2001/02, 27 745, nr. 6, p. 21). Die feiten kunnen worden aangepakt op basis van de artikelen 240b (medeplegen van de vervaardiging van kinderporno) of artikel 248a (uitlokking van ontucht).
Ik ontraad dit amendement. Het is niet wenselijk, voor zover het de in artikel 248c getrokken grenzen overschrijdt en in de praktijk nauwelijks handhaafbaar is. Het is niet nodig, voor zover het beoogt strafbaar te stellen hetgeen reeds strafbaar is.
4. Amendement Van der Staaij c.s. onder nr. 11
Het amendement beoogt de toeschouwer van een kinderpornografische film strafbaar te stellen.
Ook dit amendement breidt de reikwijdte van artikel 248c uit en wijzigt de aard ervan. Dit artikel ziet als gezegd op de klant die lijfelijk aanwezig is bij een pornografisch optreden van een kind. Het amendement gaat aanmerkelijk verder en ziet ook op de bekijker van een kinderpornografische film. Ook dit voorstel gaat naar mijn oordeel het kader van artikel 248c en van dit wetsvoorstel te buiten.
Ook hier zie ik problemen bij de handhaving. Weliswaar beperkt het voorstel zich tot vertoning in een daarvoor bestemde gelegenheid en ontbreekt het element van de strikt huiselijke sfeer, niettemin zal strafrechtelijk optreden in de praktijk slechts mogelijk zijn bij ontdekking op heter daad. Naar mijn oordeel is het veel effectiever om de bron aan te pakken, dat is degene die de films in bezit heeft (met de kennelijke bedoeling die in een daarvoor bestemde gelegenheid aan anderen te vertonen).
Ik ontraad het amendement.'