ECLI:NL:PHR:2010:BO1798

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/02637
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 onder c F.Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling zonder verlening schone lei wegens niet nakomen sollicitatieplicht

Verzoekster heeft cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 15 juni 2010, waarin het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigde. Dit vonnis hield in dat aan verzoekster bij beëindiging van de schuldsaneringsregeling de schone lei werd onthouden wegens toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van haar verplichtingen, met name de sollicitatieplicht.

Het cassatieberoep richt zich op de motivering van het hof dat verzoekster zowel vóór als na haar ziekmelding onvoldoende sollicitaties heeft verricht. Het hof oordeelde dat verzoekster wist dat zij maandelijks vijf sollicitaties moest doen en bewijs daarvan aan de bewindvoerder moest overleggen, maar slechts sporadisch bewijsstukken heeft overgelegd. Tevens was niet aannemelijk dat zij veelvuldig heeft gesolliciteerd.

Ten aanzien van de periode na de ziekmelding oordeelde het hof dat onvoldoende aannemelijk was dat verzoekster vanaf dat moment volledig arbeidsongeschikt was, omdat geen medische informatie aan de bewindvoerder was verstrekt waaruit volledige arbeidsongeschiktheid bleek. De waarderingen van feitelijke aard door het hof zijn niet onbegrijpelijk en bieden een toereikende motivering.

De Hoge Raad concludeert dat het cassatieberoep faalt en verwerpt het met toepassing van art. 81 RO Pro, zonder dat beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling noodzakelijk is.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder verlening van de schone lei blijft gehandhaafd.

Conclusie

10/02637
Mr L. Strikwerda
Parket, 22 okt. 2010
conclusie inzake
[Verzoekster]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het tijdig door verzoekster tot cassatie, hierna: [verzoekster], ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 15 juni 2010. Bij dit arrest heeft het hof op het hoger beroep van [verzoekster] bekrachtigd het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 april 2010, waarbij aan [verzoekster] bij de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling de schone lei is onthouden wegens het toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, in het bijzonder de sollicitatieverplichting.
2. Het cassatieberoep berust op één middel dat naar mijn oordeel niet tot cassatie kan leiden en niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
3. Als ik het goed zie, klaagt het middel erover dat het hof zijn oordeel dat [verzoekster] zowel vóór als na haar ziekmelding te weinig heeft gedaan om de voor haar capaciteit passende arbeid te verkrijgen, niet dan wel onvoldoende heeft gemotiveerd.
4. Het oordeel van het hof dat [verzoekster] vóór de ziekmelding niet aan haar sollicitatieplicht heeft voldaan, berust op de overweging dat [verzoekster] wist, althans behoorde te weten, dat van haar verwacht werd dat zij, om aan haar sollicitatieverplichting te voldoen, maandelijks vijf sollicitaties diende te verrichten en kopieën daarvan aan de bewindvoerder diende te versturen, dat [verzoekster] slechts een enkele keer bewijsstukken van sollicitaties heeft overgelegd aan de bewindvoerder, en dat niet aannemelijk is geworden dat [verzoekster] veelvuldig heeft gesolliciteerd.
5. Voor zover het oordeel van het hof betrekking heeft op de periode na de ziekmelding, berust dit op de overweging dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [verzoekster] reeds vanaf de ziekmelding volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht, nu niet is gebleken dat [verzoekster] bij haar ziekmelding of nadien de bewindvoerder van medische informatie heeft voorzien waaruit haar volledige arbeidsongeschiktheid kon worden afgeleid en ook uit de in hoger beroep overgelegde (medische) gegevens niet blijkt dat bij de ziekmelding sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid.
6. De voormelde overwegingen berusten op waarderingen van feitelijke aard die aan het hof als feitenrechter zijn voorbehouden. Zij zijn in het licht van onder meer de verslagen van de bewindvoerders niet onbegrijpelijk, en vormen een toereikende motivering voor het oordeel dat [verzoekster] zowel vóór als na de ziekmelding niet aan haar sollicitatieplicht heeft voldaan. Het middel faalt derhalve.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,