ECLI:NL:PHR:2010:BO1819
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verkrijgende verjaring van aandelen ondanks onduidelijkheden in overdracht en naam vennootschap
In deze zaak staat centraal of [verweerster] eigenaar is geworden van 50% van de aandelen in Historical Instruments Amsterdam B.V. door verkrijgende verjaring, ondanks dat de eerste overdracht van aandelen van [eiser] aan [betrokkene 1] mogelijk niet rechtsgeldig was. De rechtbank en het hof oordeelden dat de tweede overdracht van [betrokkene 1] aan [verweerster] op 19 november 1989 bezitsverkrijging opleverde en dat [verweerster] te goeder trouw was, waardoor zij zich op verkrijgende verjaring kon beroepen.
De Hoge Raad behandelt klachten over het statutair directeurschap van [betrokkene 1], de toepasselijkheid van artikel 3:99 BW Pro versus het oude artikel 2000 BW Pro, de bevoegdheid van [betrokkene 1] om aandelen over te dragen, en de goede trouw van [verweerster]. De Hoge Raad bevestigt dat het nieuwe artikel 3:99 BW Pro ook van toepassing is op verjaringstermijnen die voor 1992 zijn aangevangen, en dat de vermeende onbevoegdheid van [betrokkene 1] wordt gerepareerd door artikel 3:88 BW Pro.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat het hof terecht heeft aangenomen dat [verweerster] te goeder trouw was, ondanks de verschrijving in de akte en het feit dat de bestuurder tevens aandeelhouder was. Er was geen bewijs dat [verweerster] zich niet als rechthebbende mocht beschouwen of dat zij bewust was van een titelgebrek. Het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en verweerster wordt eigenaar van de aandelen door verkrijgende verjaring.