09/01320
Mr L. Strikwerda
Zt. 15 okt. 2010
Edelhoogachtbaar College,
1. Deze zaak betreft een vordering uit hoofde van een tweetal "Promissory Notes". In cassatie gaat het om de vraag of de vordering afstuit op het feit dat de crediteur bij de debiteur het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat deze van zijn schuld was gekweten, dan wel het recht op uitoefening van het vorderingsrecht heeft verwerkt.
2. De feiten waarvan in cassatie dient te worden uitgegaan treft men aan in r.o 1 van het vonnis van de rechtbank (zie r.o. 3 van het arrest van het hof), alsmede in r.o. 4.1 t/m 4.4 van het arrest van het hof. Zij komen op het volgende neer.
(i) Eiseres tot cassatie, hierna: OCWI, is een 100%-dochtervennootschap van de vennootschap naar Luxemburgs recht Piedmont International S.A., hierna: Piedmont. Piedmont heeft nog een 100%-dochtervennootschap, een vennootschap naar Italiaans recht, genaamd OP Computers S.A., hierna: Opco.
(ii) Op 11 september 1997 is verweerder in cassatie, hierna: [verweerder], in dienst getreden van Opco, in de functie van "managing director". Op 12 september 1997 heeft hij daarnaast een "Executive Services Agreement" gesloten met Piedmont, op grond waarvan hij werd aangesteld als "chief executive officer" van Piedmont. De voorzitter van de raad van bestuur van Piedmont, [betrokkene 1], maakt(e) (destijds) ook deel uit van de raad van bestuur van OCWI en ook [betrokkene 2] is - althans was destijds - lid van beide besturen.
(iii) Op grond van een op 30 september 1997 gesloten aandeelhoudersovereenkomst heeft [verweerder] 30.000 aandelen in het kapitaal van Piedmont gekocht tegen een prijs van US $ 925.000,-. De overeenkomst bevat een bepaling die [verweerder] bij beëindiging van zijn relatie met Piedmont onder bepaalde voorwaarden het recht van een putoptie geeft, bij uitoefening waarvan Piedmont gehouden is de aandelen tegen een van te voren vastgestelde prijs terug te nemen.
(iv) Teneinde de koopprijs te voldoen heeft [verweerder] in totaal US $ 825.000,- geleend van OCWI. Deze lening is vastgelegd in twee afzonderlijke "Promissory Notes". Het ene papier vertegenwoordigt een vordering van US $ 337.500,-, opeisbaar op 31 december 1997, en het andere papier een vordering van US $ 487.500,-, opeisbaar op 31 december 2001. Tot zekerheid voor de betaling van laatstgenoemd bedrag heeft [verweerder] zijn aandelen in Piedmont aan OCWI in pand gegeven. Op de rechtsverhouding tussen [verweerder] en OCWI uit de "Promissory Notes" is Nederlands recht van toepassing verklaard.
(v) [Verweerder] heeft bij brief van 9 februari 1999 met onmiddellijke ingang ontslag genomen bij Piedmont. Op 12 mei 1999 is ook zijn dienstverband met Opco geëindigd, als gevolg van het op die dag uitgesproken faillissement van Opco.
(vi) Bij brief van 22 maart 1999 heeft OCWI [verweerder] gemaand tot betaling van hetgeen hij uit hoofde van de op 31 december 1997 vervallen "Promissory Note" verschuldigd was.
(vii) Bij brieven van 19 april 1999 heeft [verweerder] [betrokkene 1] en Piedmont te kennen gegeven dat hij zijn putoptie wenst uit te oefenen. Daarbij heeft hij Piedmont verzocht uit de verkoopopbrengst van zijn aandelen het door hem aan OCWI verschuldigde bedrag te voldoen.
(viii) Bij brieven van 26 augustus 1999 heeft [verweerder] zijn verzoek herhaald en als bijlage meegezonden een akte van overdracht, tevens houdende een volmacht aan een tweetal met name genoemde personen tot registratie van de aandelenoverdracht in het aandelenregister van Piedmont. De brief aan Piedmont behelsde daarnaast het verzoek om te betalen aan OCWI en de brief aan OCWI behelsde daarnaast de mededeling dat de schuld van [verweerder] uit de "Promissary Notes" door Piedmont zou worden voldaan. [Verweerder] heeft een en ander herhaald bij brief van 19 juli 2000.
(ix) Bij brief van 24 juli 2000 heeft het Luxemburgse advocatenkantoor [A] [verweerder] laten weten dat Piedmont van mening was dat [verweerder] niet aan de in de aandeelhoudersovereenkomst gestelde voorwaarden voor uitoefening van de putoptie had voldaan en dat Piedmont niet gehouden was de door [verweerder] aangeboden aandelen af te nemen.
(x) In reactie op een namens [verweerder] bij Piedmont neergelegde claim heeft de Luxemburgse advocaat van Piedmont bij brief van 28 november 2000, voor zover hier van belang, het volgende geschreven aan de Italiaanse advocaat van [verweerder]:
"Our client has a much larger claim, however, for damages caused by [verweerder]'s breach of his Executive Services Agreement, and a subsidiary of our client, OCW International B.V., has duly assigned to our client two Promissary Notes executed by [verweerder] on 12th September , 1997 in the aggregate principal amount of $ 825.000."
(xi) Bij brief van 2 juli 2002 heeft de Nederlandse advocaat van OCWI, voor zover hier van belang, aan [verweerder] geschreven:
"To the extent that any of OCWI's claim may have been the (purported) subject of an assignment to one of OCWI's group companies, you are hereby advised - and this letter shall, to any extent that may be required under applicable law, serve as official notice thereof - that effective as of 4 June 2002 such claims have been reassigned to OCWI."
(xii) Bij dagvaarding van 27 januari 2003 heeft [verweerder] in Luxemburg een vordering aanhangig gemaakt tegen Piedmont. [Verweerder] vordert in die procedure betaling van het verschil tussen het bedrag dat hij uit hoofde van de "Promissory Notes" verschuldigd is en het bedrag dat Piedmont aan hem verschuldigd is uit hoofde van de uitoefening van de putoptie.
3. Bij exploot van 10 juli 2002 heeft OCWI [verweerder] gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam tot betaling van een bedrag van US $ 1.107.487,65, vermeerderd met rente en kosten. OCWI heeft als grondslag van haar vordering aangevoerd dat [verweerder] dit bedrag als hoofdsom plus contractuele rente verschuldigd is uit hoofde van de "Promissory Notes" die reeds geruime tijd opeisbaar zijn.
4. Na verweer van [verweerder] heeft de rechtbank bij vonnis van 18 februari 2004 de vordering van OCWI toegewezen.
5. [Verweerder] is van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te Amsterdam en had succes: bij arrest van 23 december 2008 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw recht doende, de vordering van OCWI alsnog afgewezen. Daartoe heeft het hof als volgt overwogen.
6. Het hof heeft vastgesteld dat [verweerder] tegen de vordering van OCWI - in essentie - het verweer voert dat hij de putoptie heeft uitgeoefend en dat de vordering van OCWI door Piedmont is betaald uit hetgeen zij (Piedmont) uit hoofde van de putoptie aan hem ([verweerder]) verschuldigd was geworden. Voorts heeft het hof vastgesteld dat [verweerder] dit verweer in hoger beroep heeft aangevuld met een beroep op rechtsverwerking (r.o. 4.6).
7. Volgens het hof zijn beide verweren van [verweerder] gegrond. Daartoe heeft het hof het volgende bepalend geacht.
- [Verweerder] heeft, nadat hij bij brief van 9 februari 1999 ontslag had genomen als lid van de raad van bestuur en als "chief executive officer" van Piedmont, bij brieven van 19 april 1999 [betrokkene 1] en Piedmont in kennis gesteld van zijn voornemen om de putoptie uit te oefenen en van de door hem voorgenomen wijze van betaling van de vordering van OCWI (r.o. 4.7).
- Bij brieven van 26 augustus 1999 heeft [verweerder] dat voornemen geëffectueerd met een als bijlage meegezonden akte van overdracht, tevens houdende een volmacht aan een tweetal met name genoemde personen tot registratie van de aandelenoverdracht in het aandelenregister van Piedmont. De brief aan Piedmont behelsde daarnaast het verzoek om te betalen aan OCWI en de brief aan OCWI behelsde daarnaast de mededeling dat de schuld van [verweerder] uit de "Promissary Notes" door Piedmont zou worden voldaan (r.o. 4.7).
- De brieven hebben de geadresseerden bereikt en, gelet op de onderlinge verhoudingen, wordt OCWI met de inhoud van zowel de aan haarzelf als aan Piedmont en [betrokkene 1] gestuurde brieven bekend verondersteld (r.o. 4.8).
- OSWI, noch Piedmont of [betrokkene 1] hebben na afloop van een redelijke termijn op die brieven gereageerd (r.o. 4.8).
- Dat stilzwijgen heeft [verweerder] in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kunnen en mogen opvatten als een blijk van instemming met zijn voornemens ten aanzien van de putoptie en de vordering van OCWI en als een blijk van medewerking aan de uitvoering daarvan. In het licht van de tussen partijen bestaande rechtsverhouding (beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid) mocht [verweerder] erop vertrouwen dat een afwijzende reactie hem binnen een redelijke termijn zou zijn medegedeeld. Wat OCWI betreft, had van haar ook met betrekking tot de putoptie een reactie mogen worden verwacht, niet alleen vanwege de aan haar toe te rekenen wetenschap op grond van de onderlinge verhoudingen - en in verband daarmee de door haar jegens [verweerder] in acht te nemen zorgvuldigheid - maar ook vanwege haar pandrecht op de aandelen, als gevolg waarvan haar medewerking aan de effectuering van de putoptie was vereist (r.o. 4.8).
- Bedoeld vertrouwen was bovendien gerechtvaardigd omdat [verweerder] onweersproken heeft gesteld dat de namen in de volmacht die werd meegezonden met de brieven van 26 augustus 1999 door Piedmont zijn opgegeven, en bij pleidooi duidelijk is geworden dat de kapitaaldeelname van [verweerder] in Piedmont en de financiering daarvan door OCWI een package deal betrof, waarbij destijds de geldstroom ook rechtstreeks tussen OCWI en Piedmont is gelopen (r.o 4.9).
- Aan het voorgaande doet de brief van het Luxemburgse advocatenkantoor [A] van 24 juli 2000 niet af, omdat ten tijde van die brief bedoeld gerechtvaardigd vertrouwen bij [verweerder] reeds was gewekt, met het rechtsgevolg dat [verweerder] inmiddels van zij schuld was gekweten, althans omdat ten tijde van de brief OCWI zich door haar stilzwijgen reeds had gedragen op een wijze die - vanwege bedoeld bij [verweerder] gewekt vertrouwen - naar maatstaven van redelijkheid onverenigbaar is met het alsnog geldend maken van het vorderingsrecht uit hoofde van de "Promissory Notes" (r.o. 4.10).
8. OCWI is tegen het arrest van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit verscheidene onderdelen opgebouwd middel, dat door [verweerder] is bestreden met conclusie tot niet-ontvankelijk verklaring van OCWI in haar cassatieberoep dan wel tot verwerping daarvan.
9. Onderdeel 1 van het middel bestaat uit zes subonderdelen en heeft betrekking op het oordeel van het hof - in 4.10 - dat OCWI het gerechtvaardigd vertrouwen bij [verweerder] heeft gewekt dat [verweerder] inmiddels van zijn schuld aan OCWI was gekweten, alsmede op de overwegingen die het hof aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd, te weten dat [verweerder] bij brieven van 19 april 1999 [betrokkene 1] en Piedmont in kennis heeft gesteld van zijn voornemen om de putoptie uit te oefenen en van de door hem voorgenomen wijze van betaling van de vordering van OCWI, dat [verweerder] bij brieven van 26 augustus 1999 dat voornemen heeft geëffectueerd met een als bijlage meegezonden akte van overdracht, tevens houdende een volmacht aan een tweetal met name genoemde personen tot registratie van de aandelenoverdracht in het aandelenregister van Piedmont, en dat de brief aan Piedmont daarnaast het verzoek behelsde om te betalen aan OCWI en de brief aan OCWI daarnaast de mededeling behelsde dat de schuld van [verweerder] uit de "Promissary Notes" door Piedmont zou worden voldaan.
10. Subonderdeel 1.1 bestrijdt het oordeel van het hof als rechtens onjuist, indien het oordeel aldus moet worden begrepen dat in de onderhavige procedure vaststaat dat de aandelenoverdracht aan Piedmont heeft plaatsgevonden omdat [verweerder] de putoptie kon inroepen. Volgens het subonderdeel kon het hof - binnen de rechtsstrijd van partijen - niet beslissen of [verweerder] de putoptie jegens Piedmont kon inroepen, omdat Piedmont geen partij is in de onderhavige procedure en ter zake door [verweerder] een procedure in Luxemburg aanhangig is gemaakt.
11. Het subonderdeel berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft zich over de vraag of [verweerder] gerechtigd was de putoptie uit te oefenen, niet uitgelaten. Het oordeel van het hof dat [verweerder] van zijn schuld aan OCWI is gekweten, althans dat sprake is van rechtsverwerking aan de zijde van OCWI, berust op de grond dat OCWI door haar gedrag bij [verweerder] het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat zij instemde met de door [verweerder] voorgenomen wijze van betaling van de vordering van OCWI en dat zij aan de uitvoering daarvan haar medewerking verleende. Om tot dit oordeel te kunnen komen behoefde het hof zich niet uit te laten en heeft het hof zich ook niet uitgelaten over de vraag of [verweerder] gerechtigd was de putoptie jegens Piedmont uit te oefenen. Het subonderdeel faalt derhalve wegens gebrek aan feitelijke grondslag.
12. Hetzelfde geldt voor de motiveringsklachten van de subonderdelen 1.2 t/m 1.4. Het hof heeft zich over de vraag of aan de voorwaarden voor de uitoefening van de putoptie door [verweerder] is voldaan en over de vraag of een aandelenoverdracht tussen Piedmont en [verweerder] daadwerkelijk heeft plaatsgevonden (subonderdeel 1.2), niet uitgelaten. Hetzelfde geldt voor de vraag of OCWI betaling van Piedmont heeft ontvangen (subonderdeel 1.3), en voor de vraag of de vorderingen van OCWI uit de "Promissory Notes" door [verweerder] zijn verrekend met zijn vordering op Piedmont (subonderdeel 1.4). Het hof behoefde zich over deze vragen ook niet uit te laten. Het oordeel van het hof dat [verweerder] van zijn schuld aan OCWI is gekweten, althans dat sprake is van rechtsverwerking aan de zijde van OCWI, berust immers op de grond dat OCWI door haar gedrag bij [verweerder] het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt in te stemmen met en mee te werken aan [verweerder]'s voornemen omtrent de wijze van betaling van de vordering van OCWI. Deze grond kan het oordeel van het hof dragen, ongeacht of aan de voorwaarden voor uitoefening van de putoptie door [verweerder] al dan niet was voldaan, of een aandelenoverdracht tussen Piedmont en [verweerder] al dan niet heeft plaatsgevonden, of OCWI al dan niet betaling van Piedmont heeft ontvangen, en of de vorderingen van OCWI uit de "Promissory Notes" al dan niet door [verweerder] zijn verrekend met zijn vordering op Piedmont.
13. De klacht van de subonderdelen 1.5 bouwt rechtstreeks voort op de subonderdelen 1.1 t/m 1.4 en zal het lot daarvan moeten delen.
14. Subonderdeel 1.6 beklaagt zich over het passeren door het hof van bewijsaanbiedingen van OCWI.
15. Nu deze bewijsaanbiedingen betrekking hebben op de in de subonderdelen 1.1 t/m 1.4 bedoelde stellingen van OCWI en deze stellingen, zoals hierboven is aangetekend, niet kunnen afdoen aan de grond waarop het hof tot het oordeel is gekomen dat OCWI bij [verweerder] het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat zij met de door [verweerder] voorgestelde wijze van betaling instemde en aan de uitvoering daarvan medewerking verleende, is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk dat het hof die bewijsaanbiedingen als niet ter zake dienend heeft gepasseerd. Het subonderdeel faalt derhalve.
16. Onderdeel 2 van het middel is opgebouwd uit drie subonderdelen en keert zich tegen het oordeel van het hof - in r.o. 4.8 - dat de brieven van 19 april 1999 en 26 augustus 1999 de geadresseerden hebben bereikt, dat, gelet op de onderlinge verhoudingen, OCWI met de inhoud van zowel de aan haarzelf als aan Piedmont en [betrokkene 1] gestuurde brieven bekend wordt verondersteld, en dat van OCWI, ook met betrekking tot de putoptie een reactie had mogen worden verwacht, niet alleen vanwege de aan haar toe te rekenen wetenschap op grond van de onderlinge verhoudingen, maar ook vanwege haar pandrecht op de aandelen, als gevolg waarvan haar medewerking aan de effectuering van de putoptie was vereist.
17. Subonderdeel 2.1 bestrijdt dit oordeel als onjuist, althans onbegrijpelijk, omdat het hof - kort gezegd - heeft miskend dat slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden, die in dit geval niet zijn gesteld en door het hof ook niet zijn vastgesteld, aanleiding bestaat rechtspersonen te vereenzelvigen.
18. Het subonderdeel kan geen doel treffen. Voor de veronderstelling dat het hof OCWI en Piedmont zou hebben vereenzelvigd is geen steun te vinden in het bestreden arrest. Het hof heeft niet geoordeeld dat Piedmont met OCWI moet worden vereenzelvigd, doch heeft slechts geoordeeld dat OCWI bekend wordt verondersteld met de inhoud van zowel de aan haarzelf als aan Piedmont en [betrokkene 1] gestuurde brieven. Het subonderdeel mist derhalve feitelijke grondslag.
19. Subonderdeel 2.2 houdt een motiveringsklacht in en klaagt dat in het licht van het in subonderdeel 2.1 betoogde evenmin zonder meer valt in te zien waarom naar 's hofs oordeel van OCWI ook met betrekking tot de putoptie een reactie mocht worden verwacht.
20. Voor zover het subonderdeel voortbouwt op subonderdeel 2.1, moet het het lot daarvan delen.
21. Voor zover het subonderdeel wil betogen dat niet begrijpelijk is dat het hof aan de veronderstelde bekendheid van OCWI met de inhoud van de brieven aan Piedmont en [betrokkene 1] de conclusie verbindt dat van OCWI ook met betrekking tot de putoptie een reactie mocht worden verwacht, kan het evenmin doel treffen. Het hof heeft die conclusie niet alleen verbonden aan de veronderstelde bekendheid van OCWI met de inhoud van de brieven aan Piedmont en [betrokkene 1], maar ook aan de omstandigheid dat OCWI een pandrecht heeft op de aandelen, als gevolg waarvan haar medewerking aan de effectuering van de putoptie was vereist. In het licht van deze omstandigheid en mede in aanmerking genomen dat het hof - onbestreden in cassatie - heeft vastgesteld dat de kapitaaldeelname van [verweerder] in Piedmont en de financiering daarvan door OCWI een package deal betrof, waarbij destijds de geldstroom ook rechtstreeks tussen OCWI en Piedmont is gelopen (r.o. 4.9), is niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat van OCWI ook met betrekking tot de putoptie een reactie mocht worden verwacht.
22. Subonderdeel 2.3 berust op dezelfde verkeerde lezing van 's hofs arrest als subonderdeel 2.1 en moet derhalve, evenals dat subonderdeel, stranden op gebrek aan feitelijke grondslag.
23. Onderdeel 3 van het middel bestaat uit vijf subonderdelen en betreft de strekking en reikwijdte van het in r.o. 4.10 uitgesproken oordeel van het hof inzake het door OCWI bij [verweerder] gewekte vertrouwen.
24. Subonderdeel 3.1 klaagt dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door zich uit te spreken over de vraag of [verweerder] gerechtigd was zijn putoptie ten opzichte van Piedmont uit te oefenen. Nu Piedmont geen partij is in de onderhavige procedure, kon niet worden vastgesteld dat de putoptie door [verweerder] kon worden uitgeoefend en kon het hof evenmin zonder meer aannemen dat OCWI gerechtvaardigd vertrouwen bij [verweerder] heeft gewekt dat zijn met de door hem voorgestelde betalingsconstructie - waarvan uitoefening van de putoptie jegens Piedmont een onlosmakelijk onderdeel vormde - akkoord ging, aldus het subonderdeel.
25. Het subonderdeel herhaalt vanuit een andere invalshoek de klacht van subonderdeel 1.1 en moet, evenals dat subonderdeel, falen wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft zich over de vraag of [verweerder] gerechtigd was de putoptie uit te oefenen, niet uitgelaten en behoefde zich daarover ook niet uit te laten om te kunnen oordelen dat OCWI door haar gedrag bij [verweerder] het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat zij instemde met de door [verweerder] voorgenomen wijze van betaling van de vordering van OCWI en dat zij aan de uitvoering daarvan haar medewerking verleende.
26. Subonderdeel 3.2 verwijst naar subonderdeel 1.2 en faalt op dezelfde grond als dat subonderdeel.
27. Subonderdeel 3.3 neemt tot uitgangspunt dat het oordeel van het hof in r.o. 4.10 aldus moet worden begrepen dat OCWI het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat zij instemde met schuldoverneming van de schuld van [verweerder] uit de "Promissory Notes" door Piedmont. Volgens het subonderdeel is het oordeel van het hof dan onjuist, althans onbegrijpelijk, omdat [verweerder] zich niet op schuldoverneming heeft beroepen en het hof derhalve buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, althans de grondslag van het verweer van [verweerder] ten onrechte heeft aangevuld.
28. Het subonderdeel kan niet tot cassatie leiden. In het verweer van [verweerder] dat OCWI bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat zij instemde met de door hem voorgenomen wijze van betaling en dat zij aan de uitvoering daarvan haar medewerking verleende, ligt noodzakelijk besloten dat OCWI bij [verweerder] (ook) het vertrouwen heeft gewekt dat zij als crediteur instemde met overneming door Piedmont van de schuld van [verweerder], aangezien zonder deze schuldoverneming de door [verweerder] voorgenomen betalingswijze niet kan worden uitgevoerd. Dit betekent dat in de door het subonderdeel gegeven lezing aan 's hofs oordeel het hof niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen is getreden en evenmin de grondslag van het verweer van [verweerder] heeft aangevuld.
29. Subonderdeel 3.4 neemt tot uitgangspunt dat het oordeel van het hof in r.o. 4.10 aldus moet worden begrepen dat OCWI het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat zij instemde met de verrekening van de schuld van [verweerder] uit de "Promissory Notes" door Piedmont. Volgens het subonderdeel is het oordeel van het hof dan onjuist, althans onbegrijpelijk, omdat - kort gezegd - voor verrekening vereist is dat wordt vastgesteld dat [verweerder] gerechtigd is tot het uitoefenen van de putoptie jegens Piedmont, tot welke vaststelling het hof in deze procedure nu juist niet bevoegd is.
30. Het subonderdeel faalt, omdat het, evenals subonderdeel 1.1 en 3.1, eraan voorbijziet dat het hof zich over de vraag of [verweerder] gerechtigd was de putoptie uit te oefenen, niet heeft uitgelaten en ook niet behoefde uit te laten om te kunnen oordelen dat OCWI door haar gedrag bij [verweerder] het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat zij instemde met de door [verweerder] voorgenomen wijze van betaling van de vordering van OCWI en dat zij aan de uitvoering daarvan haar medewerking verleende.
31. Subonderdeel 3.5 neemt tot uitgangspunt dat het oordeel van het hof in r.o. 4.10 aldus moet worden begrepen dat OCWI het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat zij het voorstel van [verweerder] omtrent de wijze van betaling van zijn schuld heeft geaccepteerd en daarvan niet meer kan terugkomen. Volgens het subonderdeel heeft het hof dan miskend dat (het gewekte vertrouwen van) deze instemming van OCWI met het voorstel slechts kan worden aangemerkt als (door OCWI gewekt vertrouwen van) instemming met de door [verweerder] voorgestane constructie waarbij de schuld van [verweerder] aan OCWI door Piedmont zou worden betaald, hetgeen, anders dan het hof kennelijk heeft verondersteld, niet meebrengt dat OCWI daarmee ook afstand heeft gedaan van haar vorderingsrecht uit hoofde van de "Promissory Notes", dan wel haar recht op uitoefening van dat vorderingsrecht heeft verwerkt, indien betaling door Piedmont achterwege zou blijven.
32. Het hof heeft overwogen dat [verweerder] van zijn schuld aan OCWI is gekweten op grond van het door OCWI bij [verweerder] gewekt gerechtvaardigd vertrouwen dat zij instemde met diens voornemens ten aanzien van de putoptie en de vordering van OCWI, althans dat OCWI zich door haar stilzwijgen heeft gedragen op een zodanige wijze dat - vanwege bedoeld bij [verweerder] gewekt vertrouwen - zij haar recht om dat vorderingsrecht uit te oefenen heeft verwerkt. Het gerechtvaardigd vertrouwen bij [verweerder] heeft het hof gebaseerd op onder meer de omstandigheid dat - kort gezegd - die voornemens door [verweerder] zijn geuit in brieven van 19 april 1999 en van 26 augustus 1999 aan zowel OCWI, Piedmont en [betrokkene 1], dat [verweerder] bij de brieven van 26 augustus 1999 als bijlage heeft meegezonden een akte van overdracht, tevens houdende een volmacht aan een tweetal met name genoemde, door Piedmont aan [verweerder] opgegeven personen tot registratie van de aandelenoverdracht in het aandelenregister van Piedmont, dat de brief aan Piedmont daarnaast het verzoek behelsde om te betalen aan OCWI, dat de brief aan OCWI daarnaast de mededeling behelsde dat de schuld van [verweerder] uit de "Promissary Notes" door Piedmont zou worden voldaan, en dat OCWI noch Piedmont of [betrokkene 1] na afloop van een redelijke termijn voor beraad op die brieven hebben gereageerd. In het licht van deze omstandigheden is niet onbegrijpelijk dat het hof kennelijk heeft geoordeeld dat het door OCWI bij [verweerder] gewekte vertrouwen dat werd ingestemd met zijn voornemens ten aanzien van de putoptie en de vordering van OCWI en dat medewerking aan de uitvoering daarvan werd gegeven, niet onderworpen was aan enig voorbehoud of enige voorwaarde, zoals de voorwaarde dat Piedmont aan OCWI zou betalen. Indien OCWI een dergelijke voorwaarde aan het voorstel van [verweerder] had willen verbinden, dan had OCWI, evenals indien zij de voorgestelde betalingswijze in haar geheel had willen verwerpen, dat binnen de door het hof bedoelde redelijke termijn voor beraad op de brieven kenbaar moeten maken aan [verweerder], zo heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld. Het subonderdeel is derhalve tevergeefs voorgesteld.
33. Onderdeel 4 van het middel is opgebouwd uit twee subonderdelen en betreft het oordeel van het hof inzake het toepasselijke recht.
34. Subonderdeel 4.1 neemt tot uitgangspunt dat, nu het hof in r.o. 4.4 heeft vastgesteld dat op de rechtsverhouding tussen [verweerder] en OCWI Nederlands recht van toepassing is verklaard, het oordeel van het hof in r.o. 4.8 aldus moet worden begrepen dat ook de uitoefening van de putoptie door [verweerder] jegens Piedmont werd beheerst door Nederlands recht. Volgens het subonderdeel is dit oordeel dan onjuist, althans onbegrijpelijk, omdat de verhouding tussen [verweerder] en Piedmond op grond van de aandeelhoudersovereenkomst wordt beheerst door het recht van Luxemburg.
35. Het subonderdeel strandt op gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft zich over de vraag of [verweerder] bevoegd is de putoptie jegens Piedmont uit te oefenen überhaupt niet uitgelaten, en zich dus ook niet uitgelaten over de vraag welk recht toepasselijk is op de uitoefening van de putoptie door [verweerder] jegens Piedmont.
36. Subonderdeel 4.2 klaagt dat, indien het hof niet heeft miskend dat de rechtsverhouding tussen [verweerder] en Piedmont werd beheerst door het recht van Luxemburg, onjuist, dan wel onbegrijpelijk is dat het hof - kort gezegd - de betekenis en de rechtsgevolgen van het stilzwijgen van Piedmont (of [betrokkene 1]) heeft beoordeeld naar Nederlands recht.
37. Het subonderdeel moet reeds wegens gebrek aan belang falen. Het oordeel van het hof dat de vordering van OCWI moet worden afgewezen berust niet op een beoordeling van de betekenis en de rechtsgevolgen van het stilzwijgen van Piedmont (of [betrokkene 1]), maar dat van OCWI.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,