ECLI:NL:PHR:2010:BO2957

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/03117
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging bewezenverklaring medeplichtigheid zware mishandeling met dood tot gevolg wegens onvoldoende opzet

Het gerechtshof Arnhem heeft verdachte veroordeeld voor medeplichtigheid aan zware mishandeling met de dood tot gevolg van haar zoontje, gepleegd door haar medeverdachte. Het hof baseerde zich op medische rapporten, getuigenverklaringen en het feit dat verdachte naliet in te grijpen ondanks kennis van eerdere mishandelingen.

De Hoge Raad overweegt dat voor medeplichtigheid dubbel opzet vereist is: opzet op de hulpverlening en wetenschap van het misdrijf. Het hof heeft onvoldoende gemotiveerd dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat haar passieve houding het plegen van de mishandeling mogelijk maakte.

Hoewel verdachte op de hoogte was van eerdere mishandelingen en de slechte gezondheid van het kind, is niet bewezen dat zij willens en wetens de gelegenheid heeft verschaft voor de fatale mishandeling. De bewezenverklaring wordt daarom vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Uitkomst: De bewezenverklaring van medeplichtigheid wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van dubbel opzet en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 09/03117
Mr. Aben
Zitting 26 oktober 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het gerechtshof te Arnhem heeft de verdachte bij arrest van 23 juli 2009 wegens:
(1). "medeplichtigheid tot zware mishandeling, de dood ten gevolge hebbend" en
(2). "opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens wet of overeenkomst verplicht is, in een hulpeloze toestand laten" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Namens de verdachte is er beroep in cassatie ingesteld. Mr. A.W. Syrier, advocaat te Utrecht, heeft een schriftuur ingediend, houdende vijf middelen van cassatie.(1)
3.1. Ik zal beginnen met het bespreken van het vierde middel, dat opkomt tegen de bewezenverklaring van feit 1, te weten medeplichtigheid tot zware mishandeling met de dood als gevolg. Meer in het bijzonder zou uit de bewijsmiddelen niet het vereiste (dubbele) opzet blijken van de verdachte, althans zou 's hofs oordeel hieromtrent ontoereikend zijn gemotiveerd.
3.2. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
'[Medeverdachte] op 17 december 2007 te Enschede opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten (onder meer) de afscheuring van diverse organen en/of ingewanden) aan [slachtoffer] heeft toegebracht ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden, immers heeft [medeverdachte] voornoemde [slachtoffer] meermalen gestompt en/of geslagen en/of geschopt in de maagstreek en elders tegen het lichaam gestoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;
tot het plegen van welk misdrijf verdachte op 17 december 2007, te Enschede, medeplichtig is geweest door daartoe opzettelijk gelegenheid te geven, door:
- [slachtoffer] alleen achter te laten bij [medeverdachte] terwijl zij wist dat [medeverdachte] [slachtoffer] al eerder had mishandeld (omdat zij, verdachte, sinds dat zij een relatie met [medeverdachte] had meermalen op het lichaam van [slachtoffer] blauwe plekken en/of een blauwe oorschelp en/of een of meerdere bulten had geconstateerd, zonder dat daarvoor een duidelijke verklaring was);
- na te laten om in te grijpen, ter voorkoming/verhindering dat een of meerdere van voornoemde handeling(en) en/of gedraging(en) door [medeverdachte] zou(den) plaatsvinden, en niet door woorden en/of daden te voorkomen, dat [medeverdachte] voornoemd(e) handeling(en) en/of gedraging(en) pleegde en/of kon plegen'
3.3. Het hof heeft in zijn arrest overwogen dat en waarom het van oordeel is dat het [medeverdachte], de (toenmalige) vriend van de verdachte, is geweest die [slachtoffer] - het destijds ongeveer anderhalf jaar oude zoontje van de verdachte - zwaar mishandeld heeft, ten gevolge van welke mishandeling het jongetje is komen te overlijden. Voorts heeft het hof in zijn arrest overwegingen opgenomen waarin het tot uitdrukking heeft gebracht waarom het van oordeel is dat de verdachte ([verdachte]) medeplichtig is geweest tot deze zware mishandeling met dodelijke afloop. Omwille van een goed begrip van deze zaak zal ik 's hofs motivering - welke een 'promis-achtig-karakter' draagt(2) - hieronder in haar geheel weergeven:
'Overweging met betrekking tot het bewijs
Vaststelling van de feiten
Op 17 december 2007 om 11.36 uur belt [medeverdachte] het alarmnummer 112 met de mededeling dat hij een kind heeft dat waarschijnlijk niet meer ademt. Om 11.38 uur komt de melding binnen bij de ambulance en ongeveer vijf minuten later arriveert de ambulance bij de woning van [medeverdachte] en zijn toenmalige vriendin, [verdachte]. Ambulanceverpleegkundige [betrokkene 1] ziet in de woonkamer een kind liggen, dat bleek en vaal is. Het kind wordt op dat moment gereanimeerd door twee politieagenten. De ambulanceverpleegkundige neemt de reanimatie over. Hij ziet dat het linkeroog van het kind al enigszins is ingedroogd. Het valt ambulancechauffeur [betrokkene 2] op dat de linkeronderarm van het kind omhoog staat in een hoek van 45 graden. Het kind wordt vervolgens naar het ziekenhuis overgebracht. In het ziekenhuis nemen kinderarts [betrokkene 3] en haar assistent [betrokkene 4] om 12.11 uur de reanimatie over. Zij zien dat de ogen enigszins vertroebeld zijn, dat er een vlies over het hoornvlies zit en dat de pupillen zijn verstijfd. Verder valt op dat de armen en de benen van het kind koud en stijf aanvoelen en dat het linkerarmpje iets omhoog staat, hetgeen volgens de kinderarts op lijkstijfheid duidt. Om 12.19 uur wordt gestopt met reanimeren en stelt de arts de dood van het kind officieel vast.
Patholoog drs. A. Maes van het Nederlands Forensisch Instituut heeft op 18 december 2007 sectie verricht op het lichaam van [slachtoffer]. In haar rapportage d.d. 24 januari 2008 komt zij tot de volgende bevindingen.
Uitwendig waren veel letsels zichtbaar. Deze bestonden uit onderhuidse bloeduitstortingen, huidkneuzingen en krasletsels. Ze waren gelokaliseerd op het hoofd, het gezicht, onder de kaakrand beiderzijds, achter de rechteroorschelp, op de romp, de schaamheuvel, de eikel, de balzak en aan de voorzijde van de knieën. Deze letsels waren hooguit één tot enkele dagen oud. De huidletsels zijn het gevolg geweest van meermalen toegepast botsend geweld en passen, onder andere, bij slaan, stompen en knijpen. De bloeduitstorting achter de rechteroorschelp kan ook zijn veroorzaakt door draaien of trekken aan de oorschelp. Slechts de bloeduitstortingen aan de voorzijde van de knieën en op het achterhoofd zouden kunnen passen bij vallen.
Bij inwendig onderzoek bleken bovendien ernstige letsels in de buik te bestaan. De ophangband van de dunne darm was op twee plaatsen recent afgescheurd met verscheuren van vele bloedvaten. Er was vrij veel bloed in de buikholte aanwezig en veel bloed in de weke delen van de buik. Ook in de wand van de dunne darm trof zij bloed aan. Het buikvlies linksonder was fors gescheurd. In relatie hiermee was er veel bloed in de omgevende weke delen aanwezig, alsmede bloed in de balzak. De recente letsels in de boven- en onderbuik zijn het gevolg geweest van zeer heftig botsend geweld en passen bij ten minste tweemaal toegepast geweld (1 x onderbuik en 1 x bovenbuik). Het tijdsinterval tussen het geweld op de bovenbuik en de onderbuik bedraagt hoogstens enkele uren.
Als gevolg van eerder meermalen toegepast heftig botsend geweld op de buik waren in de ophangband ook bloedingsresten. De bij microscopisch onderzoek gevonden veranderingen in de ophangband passen bij een ouderdom van tussen 1 à 2 weken. De bloeduitstorting in de eikel is het gevolg geweest van direct mechanisch geweld op de eikel, waarschijnlijk knijpen. Ook hier werden bloedingsresten gevonden bij microscopisch onderzoek, passend bij eerder toegepast geweld op de eikel. Het overlijden van [slachtoffer] wordt zonder meer verklaard op grond van het massale bloedverlies en de daardoor opgetreden orgaanfunctiestoornissen. [Slachtoffer] is overleden aan de directe gevolgen van meermalen toegepast heftig mechanisch geweld op het lichaam. Er waren ook tekenen van in het recente verleden toegepast heftig botsend geweld op de buik en penis.
Drs. A. Maes is ter terechtzitting in hoger beroep als getuige-deskundige gehoord. Zij heeft toen verklaard dat zij op basis van microscopisch onderzoek concludeert dat beide afscheuringen van de ophangband van de dunne darm binnen een periode van ten minste vier tot ten hoogste zes uur tot de dood als gevolg van bloedverlies hebben geleid. Voorts is ter terechtzitting in hoger beroep drs. G.C. Madern, algemeen chirurg en kinderchirurg, als deskundige gehoord. Hij heeft verklaard dat geen absoluut antwoord te geven is op de vraag hoe lang het stervensproces heeft geduurd. Daarvoor zijn er, aldus de deskundige Madern, te veel onbekend gebleven variabelen, die daarop van invloed kunnen zijn. Op basis van de pathologische bevindingen èn op basis van de expertise over het type letsel dat bij [slachtoffer] is aangetroffen, komt de deskundige Madern tot een termijn van vier tot zes uur, waarin het kind is gestorven. Aldus acht de deskundige Madern een stervensproces van enkele uren aannemelijk en waarschijnlijker dan een stervensproces van één tot anderhalf uur, hoewel hij die kortere termijn in absolute zin niet geheel uitsluit.
Op grond van de verklaringen van de deskundigen Maes en Madern gaat het hof ervan uit dat het fatale letsel is toegebracht tussen de vier tot zes uur vóór het intreden van de dood. De mogelijkheid dat het fatale letsel korter dan één uur voor het intreden van de dood is toegebracht, acht het hof op grond van de verklaringen van voornoemde deskundigen zo onaannemelijk dat die terzijde wordt gesteld.
Bij het bepalen van het moment waarop [slachtoffer] is overleden, gaat het hof uit van de verklaring van de deskundige Botter. Deze deskundige heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat lijkstijfheid gemiddeld één uur na het overlijden intreedt. Een periode van twee uren acht de deskundige Botter niet aannemelijk; een afwijking van een kwartier ten opzichte van het genoemde uur acht de deskundige mogelijk. Nu de ambulancechauffeur [betrokkene 2] rond 11.45 uur (kennelijk beginnende) lijkstijfheid heeft waargenomen, valt daaruit af te leiden, dat de dood van [slachtoffer] tussen 10.30 uur en 11.00 uur is ingetreden. De kinderarts [betrokkene 3] heeft ca. 12.18 uur geconstateerd, dat de beentjes en ook een armpje stijf waren, en dat er een vlies over het hoornvlies zichtbaar was. Neemt men aan, dat zij beginnende lijkstijfheid waarnam, dan zou de dood op zijn laatst zijn ingetreden te ca. 11.33 uur. Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat [slachtoffer] hoogstwaarschijnlijk moet zijn overleden tussen ca. 10.30 uur en ca. 11.30 uur. Deze conclusie sluit aan bij de verklaring van [verdachte] zoals afgelegd ten overstaan van de rechtercommissaris in het kader van de inverzekeringstelling. [Verdachte] heeft toen immers verklaard dat zij zag dat [slachtoffer] ademde toen zij thuiskwam van het boodschappen doen; op grond van het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat dat rond 10.30 uur het geval was.
Het gegeven dat het fatale letsel moet zijn toegebracht in een periode van vier tot zes uur voor het overlijden, brengt het hof tot de conclusie dat het fatale letsel moet zijn toegebracht op 17 december 2007 tussen circa 4.30 uur en 7.30 uur, waarbij een speling van een uur langer of korter niet van wezenlijk belang is. Of beide letsels - het recente letsel in de bovenbuik respectievelijk het letsel in de onderbuik - min of meer tegelijkertijd of met een tijdsinterval zijn toegebracht, kan in het midden blijven, omdat op grond van de bevindingen van deskundigen vaststaat dat het stervensproces in de genoemde periode is ingezet als gevolg van het in de buik optredende bloedverlies door - in ieder geval - de afscheuringen van de ophangband van de dunne darm.
[Medeverdachte] en [verdachte] verklaren allebei dat er die nacht en die ochtend niemand anders in de woning aanwezig was dan zijzelf en [slachtoffer]. Beiden verklaren, dat [verdachte] slechts korte tijd (ca. 25 minuten) voor wat boodschappen buitenshuis is geweest, hetgeen het hof, mede gelet op de tot de stukken behorende kassabon, als vaststaand aanmerkt.
Mede gelet op de omstandigheid dat de deuren op slot zaten, er geen braaksporen zijn aangetroffen en de verdachten niet hebben verklaard dat zij iemand of iets hebben gehoord dat op binnendringen door een onbekende zou kunnen wijzen, acht het hof het onbestaanbaar, dat er in de periode van circa 4.30 uur en 7.30 uur nog een ander persoon in de woning is geweest.
Uit dit alles leidt het hof af, dat het fatale letsel is toegebracht ofwel door [verdachte], ofwel door [medeverdachte], ofwel door hen beiden als medeplegers. Op grond van na te noemen bewijsmiddelen komt het hof tot het oordeel, dat het [medeverdachte] is geweest die zich aan de geweldshandelingen schuldig heeft gemaakt.
1. Het hof stelt voorop dat [medeverdachte] zelf heeft verklaard bij de verzorging van [slachtoffer] betrokken te zijn geweest. [Medeverdachte] heeft tegenover de politie het volgende verklaard - zakelijk weergegeven -:
(verklaring d.d. 15 februari 2008, pagina P81 en P82)
U vraagt mij waar de verzorging van [slachtoffer] uit bestond. De ene keer deed ik dat en de andere keer deed [verdachte] dat. Je haalt hem uit bed. Daarna verschoon je de luier. Ik gebruikte dan vochtige doekjes. Daarna deed ik vaak de pyjama weer aan.
2. Tijdens haar verhoor door de rechter-commissaris in het kader van de vordering tot inbewaringstelling heeft [verdachte] verklaard dat [slachtoffer] bang was voor [medeverdachte]. Voorts heeft [verdachte] tegenover de politie het volgende verklaard - zakelijk weergegeven -:
(verklaring d.d. 27 december 2007, P243)
[Slachtoffer] wilde alleen bij mij zijn. Ik zei al dat [slachtoffer] bang was voor [medeverdachte]. (...)
Soms zei [medeverdachte] 's morgens tegen mij dat ik maar moest blijven liggen en dan gaf [medeverdachte] [slachtoffer] te eten. Soms ging [medeverdachte] [slachtoffer] verzorgen. [Medeverdachte] zei dan tegen mij: "Blijf jij maar liggen, dan zal ik hem een schone luier geven." Als [medeverdachte] [slachtoffer] verschoonde, deed hij dat in de slaapkamer. [medeverdachte] haalde hem uit bed, deed hem een schone luier voor en bracht hem naar beneden. Ik bleef dan in bed liggen en zag verder niet wat [medeverdachte] deed.
(verklaring d.d. 8 januari 2008, pagina P262-267)
[Medeverdachte] sloeg, achter mijn rug, [slachtoffer] als hij in zijn kamertje was. (...) Hij sloeg mij niet, maar mijn kind wel.
Als [medeverdachte] [slachtoffer] naar bed bracht, hoorde ik hem gillen of schreeuwen. [medeverdachte] werd extreem streng en bazig. Hij sloeg, en hij was niet eens [slachtoffer]'s vader. Ik weet dat [medeverdachte] [slachtoffer] echt sloeg. Eerst zag ik dat niet. Ik hoorde dat [slachtoffer] harder ging huilen op het moment dat [medeverdachte] bij [slachtoffer] was. U vraagt mij wanneer ik heb gezien dat [medeverdachte] [slachtoffer] door elkaar schudde. Ik denk dat het vijf keer is gebeurd. [medeverdachte] hield [slachtoffer] vast om zijn middel, in zijn buikstreek. Hij hield [slachtoffer] met twee handen vast, met het gezicht van [slachtoffer] naar zijn eigen gezicht toe. Wat [medeverdachte] deed, was geen spelletje. U vraagt mij hoe ik kon zien dat [slachtoffer] dat niet leuk vond. Ik merkte dat omdat [slachtoffer] huilde. Ik zei tegen [medeverdachte] dat hij maar een tijdje weg moest gaan. [Slachtoffer] was bang voor [medeverdachte]. Het is eigenlijk niet normaal wat [medeverdachte] met [slachtoffer] deed. (...)
(verklaring d.d. 21 februari 2008, pagina P313)
Ik wist ook hoe de reactie van [medeverdachte] was als [slachtoffer] huilde. Het huilen moest ophouden. Hij moest iets doen om [slachtoffer] stil te krijgen. [Medeverdachte] had de gelegenheid toen hij alleen was met [slachtoffer]. Ik heb zondagavond tegen [medeverdachte] gezegd dat wanneer hij niet tevreden was hij maar weg moest gaan. [Medeverdachte] was zo geïrriteerd dat [slachtoffer] huilde. Ik heb hem gezegd dat hij wel naar zijn ouders kon gaan. (...)
Uit deze verklaringen leidt het hof af dat [verdachte] heeft vastgesteld, dat [medeverdachte] [slachtoffer] in een periode voorafgaand aan het ontstaan van het fatale letsel ruw en zelfs gewelddadig behandelde.
3. Getuige [betrokkene 5], een zus van [verdachte], heeft tegenover de politie verklaard - zakelijk weergegeven -:
(verklaring d.d. 18 december 2007, pagina G13-18)
Op 13 of 14 december 2007 om 23.00 uur werd ik gebeld door [verdachte]. Zij zei dat [slachtoffer] ziek was en overgegeven had. Ook vertelde ze dat [slachtoffer] koorts had. Ze zei dat [slachtoffer] niet wilde eten. Ze vroeg mij of ik naar Enschede wilde komen om [slachtoffer] op te halen. Ik vroeg haar waarom ze zelf niet met [slachtoffer] naar de dokter ging. Ze zei dat [slachtoffer] ziek was en gaf een ontwijkend antwoord. In de nacht van 14 op 15 december werd ik weer gebeld door [verdachte]. Mijn echtgenoot was jarig geworden en ik vroeg daarom aan [verdachte] om later terug te bellen omdat ik mijn man wilde feliciteren met zijn verjaardag.
Getuige [betrokkene 6], de man van [betrokkene 5], heeft tegenover de politie verklaard - zakelijk weergegeven -:
(verklaring d.d. 18 december 2007, pagina G7-12)
Op 14 december belde [verdachte] dat [slachtoffer] ziek was. Hij huilde veel en wilde niet slapen. Ze wilde dat we haar en [slachtoffer] kwamen ophalen. Op 15 december, mijn verjaardag, belde ze weer. Ze zei dat [slachtoffer] nog steeds ziek was. Volgens mij belde ze om 01.00 uur. Ze wilde weer dat wij [slachtoffer] en haar kwamen ophalen. Mijn vrouw heeft 's nachts nog overwogen om naar Enschede te gaan omdat [verdachte] zo radeloos klonk.
Uit deze verklaringen leidt het hof af dat [verdachte] enkele dagen voor de dood van [slachtoffer] heeft getracht om [slachtoffer] uit de woning te krijgen. Het hof ziet in deze pogingen een sterke aanwijzing, dat [verdachte] ervan op de hoogte was, dat [slachtoffer] bij langer verblijf in de nabijheid van [medeverdachte] in acuut gevaar zou verkeren. Zij heeft wetenschap gehad, al was het wellicht niet uit rechtstreekse waarneming, van ernstig en zelfs mogelijk levensbedreigend geweld dat verdachte tegen haar kind pleegde, en zij heeft getracht haar kind bescherming te bieden door haar zus en zwager te smeken [slachtoffer] te komen ophalen.
4. Getuige [betrokkene 2] heeft tegenover de politie verklaard - zakelijk weergegeven -:
(verklaring d.d. 20 december 2007, pagina G98-101)
Op 17 december 2007 had ik dagdienst op de ambulance. Aan het eind van de ochtend werden wij verzocht om te gaan naar het adres [a-straat 1] te Enschede. In de melding werd ons medegedeeld dat het waarschijnlijk ging om het reanimeren van een kind van anderhalf jaar oud. De voordeur van de woning stond open. In het halletje van de woning trof ik een mij onbekende man aan met blond haar. Later bleek hij de vriend van de moeder van het kind te zijn. Ik hoorde dat de man met het blonde haar letterlijk tegen ons zei: "Ik heb wel gereanimeerd op de buik, maar dit is niet goed hè."
Het hof beschouwt de verklaring van [medeverdachte] met betrekking tot het reanimeren als een uiting van het bewustzijn dat de ernstige toestand waarin [slachtoffer] zich bevond, het gevolg was buikletsel. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [medeverdachte] bij de reconstructie heeft gedemonstreerd dat hij reanimatiehandelingen verrichtte op de borst van [slachtoffer] en niet op diens buikstreek.
5. De getuige [betrokkene 5] heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard - zakelijk weergegeven -:
[Verdachte] zei dat ze 's nachts was opgestaan omdat [medeverdachte] haar riep, omdat [slachtoffer] had overgegeven. Ik heb gevraagd hoe laat dat was, maar ze zei dat ze niet op de klok had gekeken. [Verdachte] had, toen [medeverdachte] haar riep, [slachtoffer] bij haar gepakt en op schoot gehouden en daarna mee naar beneden genomen. Hij is op haar borst in slaap gevallen.
Ter terechtzitting in hoger beroep is [medeverdachte] als getuige gehoord in de zaak tegen [verdachte]. Hij heeft toen verklaard dat [verdachte] om 6.00 uur met [slachtoffer] naar beneden kwam.
Naar het oordeel van het hof staat op grond van deze verklaring van getuige [betrokkene 5] en deze verklaring van [medeverdachte], in onderlinge samenhang bezien, vast dat [medeverdachte] in de periode waarin het fatale letsel is toegebracht, alleen is geweest met [slachtoffer], alvorens [verdachte] naar boven is gekomen om [slachtoffer] te verzorgen. [medeverdachte] heeft derhalve gelegenheid gehad om het fatale letsel toe te brengen.
Voorts neemt het hof in aanmerking:
- dat de deskundige Madern ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat een kind op dergelijk letsel als waarvan bij [slachtoffer] sprake was, zal reageren met braken; ([medeverdachte] had volgens de hiervoor weergegeven verklaring van [betrokkene 5] het braken die nacht aan [verdachte] gemeld);
- dat de deskundige Bilo ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat dit type letsels bij kinderen gezien wordt bij zeer ernstige verkeersongevallen. Uit de verklaring van drs Maes van 5 maart 2008 volgt, dat de intensiteit van de geweldsinwerking, die tot de aangetroffen fatale letsels geleid heeft te vergelijken is met het slaan op een boksbal of zandzak door een bokser.
Uit laatstgenoemde verklaring leidt het hof ook af, dat [medeverdachte] opzet moet hebben gehad op het toebrengen van zwaar letsel; degene die met zo grote kracht het lichaam treft van een kind van zeventien maanden oud, moet hebben beseft, dat er een aanzienlijk risico is, dat zwaar letsel ontstaat, en moet die kans willens en wetens hebben aanvaard.
In het bijzonder gelet op voorgaande verklaringen - in onderlinge samenhang bezien - acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte] [slachtoffer] op 17 december 2007 te Enschede zwaar heeft mishandeld op de hierna nader in de bewezenverklaring omschreven wijze, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.
Het hof is van oordeel, dat niet bewezen kan worden verklaard, dat [verdachte] medepleger is van de zware mishandeling met dodelijke afloop. Het is niet gebleken dat zij enige uitvoeringshandeling heeft gepleegd - het hof gaat er zelfs van uit dat zulks niet het geval is geweest - en evenmin kan worden aangenomen dat er gesproken kan worden van een nauwe
volledige samenwerking tussen haar en [medeverdachte], gericht op de uitvoering van een gezamenlijk plan, noch dat zij zich niet heeft gedistantieerd van de geweldshandelingen die die nacht en ochtend zijn gepleegd. Het hof houdt rekening met de mogelijkheid dat zij geen kennis heeft gedragen van concreet geweld dat in dat tijdvak is uitgeoefend.
Wel komt het hof tot het oordeel dat [verdachte] medeplichtig is geweest tot deze zware mishandeling met de dood tengevolge. Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking:
1. Er waren al eerder tekenen van mishandeling. Dat de mishandeling van [slachtoffer] niet beperkt is gebleven tot één keer, volgt niet alleen uit de medische informatie. In de laatste maanden van [slachtoffer]'s leven hebben vele getuigen opvallend veel blauwe plekken bij hem gezien. Bij sommige getuigen is daardoor de verdenking van mishandeling ontstaan. Getuige [betrokkene 13] heeft opgegeven "Meld Misdaad Anoniem" te hebben gebeld om door te geven dat [slachtoffer] mishandeld werd. [Verdachte] heeft bevestigd dat zij blauwe plekken heeft gezien bij [slachtoffer]: op zijn hoofd en bij zijn lies. Ook heeft zij gezien dat [slachtoffer]'s oren blauw waren. Ze heeft bovendien verklaard dat "ze het gevoel kreeg dat de blauwe plekken niet klopten".
2. [Verdachte] wist dat [slachtoffer] bang was voor [medeverdachte]. Als [medeverdachte] [slachtoffer] naar bed bracht, hoorde ze [slachtoffer] gillen of schreeuwen. Ze hoorde dat [slachtoffer] harder ging huilen op het moment dat [medeverdachte] bij [slachtoffer] was.
3. In het weekend voorafgaande aan zijn dood ging het niet goed met [slachtoffer]. Hij at nauwelijks, hij was moe en hij huilde erg veel.
4. Op of omstreeks 14 en 15 december 2007 heeft [verdachte] tweemaal haar zus [betrokkene 5] en haar partner, [betrokkene 6], gebeld. Volgens deze getuigen vertelde [verdachte] dat [slachtoffer] ziek was en vroeg [verdachte] of ze [slachtoffer] wilden komen ophalen. Daarbij zou [verdachte] radeloos hebben geklonken. De getuigen hebben haar geadviseerd om met [slachtoffer] naar de dokter te gaan. Ook getuige [betrokkene 14], een andere zus van [verdachte], heeft haar dit omstreeks 14 december 2007 geadviseerd. [Verdachte] is desondanks niet met [slachtoffer] naar de dokter gegaan.
5. De conditie van [slachtoffer] was op 16 december 2007 zodanig slecht, dat [verdachte] die dag een dokter wilde bellen. Dit heeft zij echter niet gedaan. Zij heeft [slachtoffer] boven in zijn bedje gelegd en is zelf beneden gaan slapen, terwijl de deur van de woonkamer (gelegen aan de achterzijde van de woning) naar de gang en de deur van het kinderkamertje boven (gelegen aan de voorzijde van de woning) dichtzaten.
6. Als ouder van [slachtoffer] was [verdachte] verantwoordelijk voor zijn welbevinden. [Verdachte] had een rechtsplicht om [slachtoffer] te beschermen tegen het door [medeverdachte] in hun woning en in haar nabijheid jegens hem gepleegde geweld.
Uit het voorgaande - in onderlinge samenhang bezien - volgt naar het oordeel van het hof dat [verdachte] zich bewust was van de ernstige situatie waarin [slachtoffer] zich bevond. Als ouder van [slachtoffer] had [verdachte] kunnen en moeten ingrijpen. Dit heeft zij echter niet gedaan. Door haar afwachtende houding en door geen hulp in te schakelen, steunde [verdachte] [medeverdachte] in zijn gewelddadig gedrag, terwijl zij door het kind aan de zorg van [medeverdachte] toe te vertrouwen - onder meer om [slachtoffer] naar bed te brengen - of toe te laten dat [medeverdachte] zich boven met [slachtoffer] afzonderde, terwijl zij beneden bleef, [medeverdachte] de gelegenheid gaf [slachtoffer] te mishandelen. [Verdachte] heeft [slachtoffer] niet buiten het bereik van [medeverdachte] gehouden en zij is niet met [slachtoffer] naar de dokter gegaan. Door haar passieve houding heeft [verdachte] [medeverdachte] opzettelijk gelegenheid gegeven om [slachtoffer] op 17 december 2007 zodanig te mishandelen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden.'
3.4.1. Voor medeplichtigheid is dubbel opzet vereist. Met 'dubbel' opzet wordt bedoeld:
(1) het opzet dat is gericht op de hulp die de medeplichtige verleent tot of bij de uitvoering van het gronddelict, en
(2) het opzet op, dat wil zeggen wetenschap van het gronddelict (een misdrijf) dat door hem wordt ondersteund. Wat betreft deze tweede eis dient het opzet te zijn gericht op alle bestanddelen van het misdrijf waaraan de medeplichtigheid accessoir is, met dien verstande dat kennis van de precieze uitvoering van het misdrijf geen vereiste is.(3) Een meer globale vorm van wetenschap volstaat in dit verband.
3.4.2. In beide gevallen is de gradatie van voorwaardelijk opzet toereikend.(4) Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een aanmerkelijke kans op het intreden van een bepaald gevolg is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van die aanmerkelijke kans, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld.
Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.(5)
3.4.3. Juist omdat het in deze zaak spant om de vraag of de verdachte de aanmerkelijke kans op de koop toe heeft genomen dat zij door het verschaffen van gelegenheid heeft bijgedragen aan de zware mishandeling (en de dood) van haar zoontje, wil ik wat langer stil staan bij die kwestie. De scheidslijnen tussen bewuste schuld en voorwaardelijk opzet zijn niet alleen gelegen bij de omvang van de - al dan niet aanmerkelijke - kans op het gevolg en des daders (veronderstelde) wetenschap van het risico dat dit gevolg zal intreden. Die scheidslijn ligt ook bij diens attitude jegens dat gevolg en de (aanmerkelijke) kans daarop. In voorwaardelijk opzet ligt besloten dat betrokkene het strafbare gedrag ook zou voltooien indien hij had geweten dat dit gevolg zou intreden. Het gevolg is weliswaar niet door hem beoogd, maar hij neemt het op de koop toe. Hij accepteert de aanmerkelijke kans op dit gevolg doordat dit (eventuele) gevolg hem niet weerhoudt van het delictueuze gedrag.
In geval van bewuste schuld is die attitude een andere, namelijk een optimistische: betrokkene verwacht dat het met het intreden van dat gevolg zo'n vaart niet zal lopen. Hij zou het delictueuze gedrag niet voltooien als hij had geweten dat dit gevolg zich daadwerkelijk zou manifesteren. Het verwijt dat betrokkene dan kan worden gemaakt is dat hij welbewust te veel (namelijk een aanmerkelijk) risico heeft genomen, en dat betreft een schuldverwijt.
3.5.1. 's Hofs overwegingen komen in de kern neer op het volgende. De verdachte droeg kennis van eerdere mishandelingen van [slachtoffer] door [medeverdachte] en zij was zich bewust van de ernstige situatie waarin [slachtoffer] zich bevond. Niettemin heeft zij nagelaten in te grijpen en heeft zij toegestaan dat [medeverdachte] zich met [slachtoffer] kon afzonderen. Door deze 'passieve houding' heeft de verdachte [medeverdachte] dus naar 's hofs oordeel opzettelijk de gelegenheid gegeven om [slachtoffer] op de fatale dag zodanig te mishandelen dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden. Daarbij heeft het hof meer in het bijzonder de volgende - uit de bewijsmiddelen voortvloeiende - omstandigheden in aanmerking genomen:
(i) De verdachte was op de hoogte van eerdere mishandelingen. Er waren al eerder tekenen van mishandelingen, zo blijkt uit medische informatie en uit hetgeen getuigen en de verdachte zelf in dit verband hebben verklaard.
(ii) De verdachte wist dat [slachtoffer] bang was voor [medeverdachte].
(iii) De gezondheid van [slachtoffer] liet in de periode voor zijn dood veel te wensen over. Het ging niet goed met [slachtoffer] in het weekend voorafgaande aan zijn dood. De verdachte werd door zowel getuigen als haar zus geadviseerd om naar een dokter te gaan, hetgeen ze niet heeft gedaan, ook niet op 16 december 2007, de avond voorafgaande aan de fatale mishandeling.
(iv) De verdachte heeft [slachtoffer] ondanks zijn slechte toestand op 16 december 2007 niettemin in een bedje gelegd en is zelf alleen beneden gaan slapen.
(v) De verdachte was als moeder verantwoordelijk voor het welbevinden van [slachtoffer] en had een rechtsplicht om [slachtoffer] te beschermen tegen het in haar nabijheid jegens hem gepleegde geweld.
3.5.2. Uit 's hofs overweging komt duidelijk naar voren dat er naar diens oordeel sprake is geweest van zogeheten 'passieve medeplichtigheid'. Dit is een bijzondere vorm van medeplichtigheid. Normaliter is er immers in het geval van 'hulpverlening' aan een misdrijf juist een bepaalde activiteit vereist en treft de passieve derde geen strafrechtelijk verwijt. Onder bepaalde omstandigheden kan passiviteit echter medeplichtigheid meebrengen, namelijk indien op de bedoelde persoon jegens het slachtoffer een rechtsplicht rust om op te treden en actief de voltooiing van het misdrijf te verijdelen. Indien op grond van deze rechtsplicht handelen is geboden, kan nalaten strafbaar zijn. Anders gezegd: degene die in strijd met een op hem rustende rechtsplicht opzettelijk nalaat te beletten dat het misdrijf wordt gepleegd, kan als medeplichtige worden aangemerkt, meestal in die zin dat er door dit nalaten opzettelijk gelegenheid tot het misdrijf wordt verschaft.(6)
3.5.3. Nu de synthese van de door mij aan de orde gestelde noties. Wil het opzet van de verdachte op de hulpverlening bewezenverklaard kunnen worden, dan dient in het voorliggende geval uit de bewijsmiddelen voort te vloeien dat de verdachte zich bij het verschaffen van de gelegenheid - bestaande uit haar passieve houding - welbewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat die gelegenheid bijdraagt aan het plegen van de zware mishandeling van [slachtoffer] (ten gevolge waarvan deze is komen te overlijden), en dat zij die kans op de koop toe heeft genomen. Met andere woorden, willen 's hofs vaststellingen kunnen leiden tot de gebezigde kwalificatie van medeplichtigheid, dan zou de verdachte haar gedrag, te weten het niet op enig eerder tijdstip ingrijpen en het ondanks zijn slechte toestand [slachtoffer] in zijn bedje leggen terwijl de verdachte zelf beneden is gaan slapen, niet hebben aangepast als zij had geweten dat zij [medeverdachte] daarmee de gelegenheid bood om in de vroege ochtend van 17 december 2007 [slachtoffer] zwaar te mishandelen.
3.5.4. Dit laatste oordeel vloeit niet voort uit de bewijsmiddelen. Weliswaar kan uit 's hofs overwegingen alsmede uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid dat de verdachte op de hoogte is geweest van eerdere mishandelingen door [medeverdachte] van [slachtoffer], dat zij op de hoogte is geweest van de slechte gezondheidstoestand van haar kind en ook dat zij haar kind niettemin alleen in zijn bedje heeft gelegd en zelf beneden is gaan slapen, doch blijkt naar mijn inzicht uit geen der gebezigde bewijsmiddelen en evenmin uit 's hofs overwegingen dat de verdachte toen en daar welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard c.q. op de koop toe heeft genomen (i) dat [medeverdachte] [slachtoffer] later ernstig zou mishandelen en (ii) dat zij hem daartoe de gelegenheid gaf.
De bewijsmiddelen houden in dit verband feitelijk helemaal niets in. Bijvoorbeeld niet dat de verdachte zich op enig moment heeft c.q. moet hebben gerealiseerd dat zij, toen zij [slachtoffer] alleen in zijn bedje achter liet, op die manier [medeverdachte] de gelegenheid zou geven om [slachtoffer] te mishandelen, maar desondanks [slachtoffer] alleen achterliet en berustte in het eventuele gevolg.(7) Sterker nog, er zijn aanwijzingen dat de verdachte de ernstige mishandeling van haar zoontje heeft willen voorkomen, door enkele dagen voorafgaande aan de fatale ochtend van 17 december een poging te doen om [slachtoffer] onder te brengen bij haar zus. Dat de verdachte hierin niet adequaat is opgetreden moge op grond van 's hofs vaststellingen duidelijk zijn, maar zulks volstaat niet voor het bewijs van medeplichtigheid tot de zware mishandeling van [slachtoffer].
3.5.5. Mogelijkerwijs zou op grond van het gebezigde bewijs kunnen worden geoordeeld dat de verdachte wel had moeten beseffen dat het alleen laten van [slachtoffer] zou kunnen leiden ernstige mishandeling en dat zij door haar passiviteit een onaanvaardbaar groot risico heeft genomen. Dat is echter een gevolgtrekking die eerder wijst op een ander verwijt, namelijk op het hebben van (een vorm van) schuld aan de dood of het ernstige letsel van [slachtoffer] en niet op het daarop gerichte opzet. Dat geen schulddelict ten laste is gelegd acht ik in een zaak van deze importantie overigens wel opmerkelijk. Het hof stond zo bezien enigszins voor het blok.
3.6. Nu, resumerend, het vereiste opzet noch uit de gebezigde bewijsmiddelen, noch uit 's hofs overwegingen kan worden afgeleid, is de bewezenverklaring van medeplichtigheid tot zware mishandeling met de dood van [slachtoffer] als gevolg naar mijn inzicht onvoldoende toereikend gemotiveerd. Het vierde middel treft in zoverre doel, hetgeen tot vernietiging van de bestreden uitspraak dient te leiden.
4.1. Gelet op het voorgaande zal ik de overige tegen feit 1 gerichte klachten op een ietwat verkorte wijze bespreken. Het eerste middel klaagt er samengevat over dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan blijken dat de verdachte op 17 december 2007 opzettelijk gelegenheid heeft geboden tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] ten gevolge waarvan deze is komen te overlijden, door [slachtoffer] 'alleen achter te laten bij [medeverdachte].'
4.2. Het middel berust op een verkeerde lezing van 's hofs bewezenverklaring, welke verkeerde lezing inhoudt dat met de in de bewezenverklaring voorkomende woorden 'door [slachtoffer] alleen achter te laten bij [medeverdachte]' wordt bedoeld dat de verdachte [slachtoffer] alleen met [medeverdachte] in haar woning heeft achtergelaten door die woning te verlaten (toen zij boodschappen ging doen). Die lezing is echter niet juist. De bewezenverklaring dient, zo kan ook uit 's hofs arrest worden afgeleid, aldus te worden verstaan dat met het 'alleen achter laten' van [slachtoffer] wordt bedoeld dat [medeverdachte] in de nabije aanwezigheid van haar zoon verkeerde, terwijl de verdachte daarbij niet in de onmiddellijke omgeving aanwezig was (doordat de verdachte in een ander deel van het huis verbleef, bijvoorbeeld beneden terwijl [medeverdachte] en [slachtoffer] samen boven waren).
4.3. Het eerste middel dat berust op een verkeerde lezing van de bewezenverklaring kan derhalve niet tot cassatie leiden.
5.1. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof in strijd met het tweede lid van artikel 359 Sv Pro is afgeweken van een namens de verdachte naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, inhoudende dat het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel een andere oorzaak kan hebben dan mishandeling door [medeverdachte] (namelijk door ongelukjes of toegebracht door anderen), zonder dat het daarbij de redenen heeft opgegeven die daartoe hebben geleid.
5.2. In de hierboven onder 3.3 weergegeven overweging heeft het hof op uitvoerige wijze uiteengezet dat en waarom het van oordeel is dat het [medeverdachte] moet zijn geweest die [slachtoffer] het fatale letsel heeft toegebracht. Verder wijs ik nog op de onder 6 tot het bewijs gebezigde verklaring van de arts en patholoog Maes, die omtrent het bij [slachtoffer] vastgestelde letsel onder meer heeft verklaard dat "slechts de bloeduitstortingen aan de voorzijde van de knieën en op het achterhoofd zouden kunnen passen bij vallen." Gelet op 's hofs overwegingen en de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan de klacht dus niet tot cassatie leiden, omdat het hof in zijn overweging wel degelijk heeft uiteengezet waarom het van mening is dat het [medeverdachte] - en niet iemand anders - is geweest die het letsel aan [slachtoffer] heeft toegebracht en omdat het verweer - meer in het bijzonder voor zover daarin wordt gesteld dat het letsel het gevolg is geweest van 'ongelukjes' - overigens zijn weerlegging wel vindt in de gebezigde bewijsmiddelen.
5.3. Het tweede middel kan niet tot cassatie leiden.
6.1. Het derde middel klaagt over de ontoereikende verwerping van het verweer strekkende tot uitsluiting van het bewijs van twee verklaringen van de verdachte (bewijsmiddelen 19 en 20) welke zij heeft afgelegd bij de politie althans het verweer dat uit deze verklaringen verdachtes wetenschap omtrent eerdere mishandelingen van [slachtoffer] door [medeverdachte] niet kan worden afgeleid.
6.2. Vooropgesteld dient hier te worden het uitgangspunt dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, om van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht, zonder dat hij van zijn oordeel over de keuze en de betrouwbaarheid van het door hem gebezigde bewijsmateriaal in zijn uitspraak nadere rekenschap behoeft af te leggen. Op dit uitgangspunt zijn zowel wettelijke als enkele jurisprudentiële uitzonderingen aangebracht, op grond waarvan onder omstandigheden een nadere redengeving van de feitenrechter wordt verlangd omtrent de betrouwbaarheid van het door hem gebezigde bewijsmateriaal, welke omstandigheden mede afhankelijk zijn van de bijzondere aard van de materie en van hetgeen ter terechtzitting in feitelijke aanleg door of namens de verdachte is aangevoerd.(8) In deze keuzevrijheid ten aanzien van het beschikbare bewijsmateriaal heeft ook het tweede lid van artikel 359 Sv Pro geen verandering gebracht.(9)
6.3. Voor zover het middel als uitgangspunt neemt dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft gerespondeerd op een verweer dat ertoe strekte dat de bij de politie afgelegde verklaringen van de verdachte niet tot het bewijs dienen te worden gebezigd, dan kan de klacht in zoverre bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Immers, noch uit het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep, noch uit de door de raadsman aan het hof overgelegde pleitnota blijkt dat een dergelijk verweer is gevoerd. Het stond het hof derhalve vrij zonder nadere motivering desbetreffende (onderdelen van de) verklaring van de verdachte onder 19 en 20 tot het bewijs te bezigen. De enkele omstandigheid dat de verdachte op een later tijdstip mogelijkerwijs een - op bepaalde punten - andersluidende verklaring heeft afgelegd, doet hieraan naar mijn inzicht niet af. Het hof heeft wat betreft verdachtes wetenschap omtrent eerdere mishandelingen door [medeverdachte] van [slachtoffer] niet onbegrijpelijk bijzondere waarde gehecht aan haar eerdere bij de politie afgelegde verklaring, hetgeen het hof ook was toegestaan.
6.4. Overigens geeft ook hetgeen op pagina 13 van het bestreden arrest door het hof wordt overwogen naar aanleiding van een in hoger beroep ten aanzien van feit 2 gevoerd verweer, inhoudende dat - kort gezegd - niet kan worden bewezen dat er sprake was van een concreet gevaar en/of dat de verdachte dit gevaar kende of behoorde te kennen, geen blijk het hierboven onder 6.2 genoemde uitgangspunt te hebben miskend. In die overweging heeft het hof (onder meer) op niet onbegrijpelijke wijze uiteengezet dat en waarom het dienaangaande wel geloof hecht aan verdachtes op 8 januari 2008 en 21 februari 2008 afgelegde verklaringen. Gelet op voornoemd uitgangspunt, alsmede gelet op hetgeen in dit verband door of namens de verdachte is aangevoerd, acht ik 's hofs oordeel op dit punt voldoende toereikend gemotiveerd.
6.5. Het derde middel faalt.
7.1. Het vijfde middel klaagt er naar de kern genomen over dat het hof het verweer dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 2 onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen, althans dat 's hofs verwerping van het verweer onbegrijpelijk is.
7.2. Het betreft hier het verweer dat bewezen moet worden dat er sprake is geweest van een concreet gevaar en dat de verdachte dit gevaar kende of behoorde te kennen en dat zij 'stil heeft gezeten i.p.v. in actie te komen.' De raadsman in hoger beroep heeft zulks betwist. In dat verband houdt de aan het hof overgelegde pleitnota het volgende in:
'Van de situatie bij de ontdekking dat [slachtoffer] helemaal slap was, op 17/12 om 11:30 uur kan gezegd worden dat meteen toen kenbaar was dat "er iets mis was" cl en [medeverdachte] 112 hebben gebeld en zijn gaan reanimeren. Vóór dit moment wist cl dat [slachtoffer] ziek was, maar had [medeverdachte] haar gezegd de dokter te hebben gebeld, dat [slachtoffer] buikgriep had en moest rusten. Op de mededeling van [medeverdachte], haar partner en die zelf ook vader is, van een ouder kind, mocht cl vertrouwen.'
7.3. 's Hofs arrest houdt op pagina 12 de volgende overweging in:
'Weliswaar heeft [medeverdachte] haar (DA: de verdachte) maandagochtend, toen zij terugkwam van het boodschappen doen, verteld dat hij zijn arts had gebeld, maar [verdachte] (DA: de verdachte) had dit moeten controleren. Zij kon immers begrijpen dat dit naar alle waarschijnlijkheid niet overeenkomstig de waarheid was, nu zij wist dat [medeverdachte] [slachtoffer] al eerder had mishandeld en dus weinig geneigd zou zijn medische hulp in te roepen.'
7.4. Opmerking verdient allereerst dat deze bewijsoverweging strikt genomen niet in het arrest is opgenomen als een respons op het hierboven onder 7.2 weergegeven verweer, maar als een bewijsoverweging. Wel zal, meer in zijn algemeenheid, hetgeen door het hof in dit verband is overwogen niet onbegrijpelijk moeten zijn in het licht van hetgeen in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd. De steller van het middel acht het door het hof overwogene ontoereikend gemotiveerd althans onbegrijpelijk, omdat 's hofs overweging berust op het oordeel dat de verdachte 'wist dat [medeverdachte] [slachtoffer] al eerder had mishandeld' en dus 'weinig geneigd zou zijn medische hulp in te roepen.' De steller van het middel betoogt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat 'van eerdere mishandelingen van [slachtoffer] door [medeverdachte] sprake is geweest' en 'evenmin dat verzoekster hiervan op de hoogte was.'
7.5. De klacht faalt omdat uit de bewijsmiddelen wel degelijk voortvloeit dat er sprake is geweest van eerdere mishandelingen door [medeverdachte] van [slachtoffer] en dat de verdachte daarvan op de hoogte is geweest. Ik moge de steller van het middel in dat verband verwijzen naar de onder 19 - door het hof als betrouwbaar geachte - tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte, voor zover zij daarin omtrent eerdere mishandelingen door [medeverdachte] van [slachtoffer] heeft verklaard. Overigens acht ik het in dit verband door het hof overwogene beslist niet onbegrijpelijk.
7.6. Het vijfde middel faalt eveneens.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor wat betreft de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit met verwijzing van de zaak naar een aangrenzend gerechtshof, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met onder nr. S 09/03822 tegen [medeverdachte] bij de Hoge Raad aanhangige zaak, in welke zaak ik vandaag eveneens zal concluderen.
2 Naast deze (uitvoerige) overweging van het hof, waarin het de voor de bewezenverklaring meest relevante bewijsmiddelen noemt en die ten dele ook citeert, bevat 's hofs arrest ook de 'klassieke' aanvulling op het arrest met daarin alle 42 tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen.
3 Vgl. HR 13 november 2001, NJ 2002/245 en HR 4 maart 2008, NJ 2008/156.
4 Vgl. bijvoorbeeld HR 8 mei 1979, NJ 1979/481, HR 26 februari 1985, NJ 1985/651 en HR 13 maart 2007, NJ 2007/287.
5 Vgl. HR 35 maart 2003, LJN AE9049, NJ 2003, 552; HR 24 februari 2004, LJN AO1498, NJ 2004, 375 en HR 18 januari 2005, LJN AE1860, NJ 2005, 154.
6 Omtrent het leerstuk van de passieve medeplichtigheid moge ik verwijzen naar: De Hullu, Materieel strafrecht, vierde druk, pagina 469 en 470 en de aldaar genoemde jurisprudentie.
7 Zie bijvoorbeeld de casus waarin het gerechtshof te 's-Gravenhage oordeelde dat er sprake was van medeplichtigheid (gerechtshof 's-Gravenhage 9 augustus 1988, LJN AC0986). In die zaak keek de verdachte (zijnde de moeder van het mishandelde kind) werkeloos toe hoe haar vriend haar kind mishandelde. Vgl. ook HR 12 december 2000, LJN AA8966.
8 HR 25 mei 2004, LJN AO4044.
9 HR 4 juli 2006, NJ 2006/386.