ECLI:NL:PHR:2010:BO3344
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing verzoek tot wijziging omgangsregeling en kostenveroordeling vader
De zaak betreft een verzoek van de vader tot wijziging van een omgangsregeling met zijn minderjarige dochter, vastgesteld door het hof Amsterdam in 2007. De vader stelde dat er gewijzigde omstandigheden waren die een aanpassing van de regeling rechtvaardigden, waaronder vermeende geestelijke mishandeling en frustratie van contact door de moeder. De rechtbank verklaarde zijn verzoek niet-ontvankelijk, en het hof bekrachtigde deze beslissing en veroordeelde de vader in de proceskosten.
In cassatie klaagde de vader dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat hij niet concreet had gemaakt welke gewijzigde omstandigheden er waren en dat zijn beroepschrift niet voldeed aan de eisen van artikel 278 Rv Pro. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de juiste maatstaf had toegepast en dat het oordeel feitelijk was en slechts beperkt toetsbaar in cassatie. De klachten over motivering en rechtsopvatting faalden omdat het hof voldoende inzicht had gegeven in zijn oordeel.
Daarnaast bevestigde de Hoge Raad dat de proceskostenveroordeling begrijpelijk was, gelet op het feit dat de vader vrijwel alle procedures had geïnitieerd en in het ongelijk was gesteld, terwijl de omgangsregeling werd nagekomen. De Hoge Raad besloot het cassatieberoep te verwerpen en liet de kostenveroordeling in stand, zonder de vader in de kosten van de cassatieprocedure te veroordelen vanwege het belang van zijn verzoek en de terughoudendheid van de Hoge Raad in familierechtelijke zaken.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vader wordt verworpen en zijn verzoek tot wijziging van de omgangsregeling wordt niet-ontvankelijk verklaard met bevestiging van de proceskostenveroordeling.