ECLI:NL:PHR:2010:BO3554

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/03538
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 sub b FwArt. 81 ROArt. 285 lid 1 sub f Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing schuldsaneringsverzoek wegens gebrek aan goede trouw

Verzoeker was samen met een medevennoot eigenaar van een wijnhandel in een vennootschap onder firma en raakte in betalingsproblemen. Hij vroeg in april 2010 de rechtbank Amsterdam om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). De totale schuldenlast bedroeg ruim €166.000, waaronder een schuld van ruim €21.000 aan de Dienst Werk & Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam.

De leningen van DWI waren verbonden aan de voorwaarde dat verzoeker jaarlijks financiële gegevens zou overleggen. Verzoeker voldeed hier niet aan, omdat de boekhouder niet betaald kon worden en met een retentierecht de stukken vasthield. Ook stelde hij dat fraude door een medewerkster het verkrijgen van financiële gegevens belemmerde.

De rechtbank wees het verzoek af omdat verzoeker niet te goeder trouw was bij het onbetaald laten van de schulden aan DWI. Het hof bevestigde dit oordeel en verwierp het verweer van verzoeker dat hij niet verantwoordelijk was voor het niet voldoen aan de voorwaarden. De Hoge Raad concludeert dat het hof terecht oordeelde dat verzoeker niet te goeder trouw was en verwerpt het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan goede trouw.

Conclusie

Zaaknummer: 10/03538
Mr. Wuisman
Parketdatum: 5 november 2010
CONCLUSIE inzake:
[verzoeker],
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos
1. Voorgeschiedenis
1.1 Verzoeker tot cassatie (hierna: [verzoeker]) heeft vanaf april 2003 tot december 2008 samen met een medevennoot een wijnhandel gedreven in het verband van een vennootschap onder firma, waarvan de handelsnaam [A] luidde. Hij is in betalingsmoeilijkheden geraakt en heeft bij een op 21 april 2010 ingediend verzoekschrift de rechtbank Amsterdam verzocht hem tot de wettelijke schuldsaneringsregeling toe te laten. Blijkens de in artikel 285 lid 1 sub f Fw Pro genoemde verklaring bedroeg de totale schuldenlast van [verzoeker] op 15 april 2010 € 166.087,67; die schuldenlast betreft volgens [verzoeker] voornamelijk de mede door hem gedreven wijnhandel. Tot de schuldenlast hoort een schuld van in totaal € 21.730,33 uit hoofde van geldleningen van de Dienst Werk & Inkomen van de gemeente Amsterdam (hierna: DWI). Aan die op de jaren 2005, 2006 en 2007 betrekking hebbende leningen was de voorwaarde verbonden, dat [verzoeker] aan het eind van elk jaar de financiële gegevens van zijn bedrijf zou overleggen. Aan die voorwaarde voldeed [verzoeker] niet. DWI heeft daarin aanleiding gevonden om bij besluit van respectievelijk 26 september 2007, 28 september 2007 en 16 september 2008 algehele terugbetaling van de leningen c.a. te vorderen. [Verzoeker] heeft ter verklaring van het niet voldoen van de voorwaarde aangevoerd, dat de boekhouder van de wijnhandel niet meer kon worden betaald en dat deze met een beroep op een retentierecht de financiële stukken van het bedrijf onder zich hield. Bovendien zou een medewerkster van het bedrijf fraude hebben gepleegd, waardoor hij ook essentiële gegevens niet kon produceren.
1.2 Bij vonnis d.d. 8 juni 2010 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen, omdat naar het oordeel van de rechtbank [verzoeker] bij het ontbetaald laten van zijn schulden aan DWI niet te goeder trouw is geweest. De rechtbank laat daarbij meewegen dat DWI had gesteld dat de schuld aan haar het gevolg van fraude was. Het hof Amsterdam bekrachtigt het vonnis bij arrest d.d. 30 juli 2010 en overweegt daartoe onder meer: "[verzoeker] kan daarvan - (het niet voldoen aan de door DWI aan de geldleningen verbonden voorwaarde) - een verwijt worden gemaakt. Dat de boekhouder de benodigde stukken vanwege zijn retentierecht onder zich hield, maakt dat niet anders. [verzoeker] is als ondernemer verantwoordelijk voor een deugdelijke boekhouding en in dat verband voor betaling van de facturen van zijn boekhouder. Dat geen sprake is van fraude - (ten opzichte van DWI) -, doet daar niet aan af. Zijn stelling dat hij vanwege fraude door een werkneemster niet over (een deel van) zijn financiële gegevens kon beschikken wordt als onvoldoende onderbouwd, eveneens verworpen."
1.3 Van het arrest van het hof is [verzoeker] met een op 6 augustus 2010 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen verzoekschrift tijdig in cassatie gekomen.((1))
2. Bespreking van de cassatiemiddelen
2.1 Er zijn twee cassatiemiddelen voorgedragen.
2.2 Met cassatiemiddel I wordt bestreden dat het hof niet aannemelijk gemaakt acht dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de schuld aan DWI te goeder trouw is geweest.
2.2.1 Met hetgeen in 11 van het verzoekschrift wordt aangevoerd, wordt niet, althans niet in voldoende mate, de onjuistheid of onbegrijpelijkheid van 's hofs oordeel duidelijk gemaakt. Zo is niet duidelijk welke gedachtegang er steekt achter de bewering dat het hof in zijn arrest ten onrechte de verantwoordelijkheid voor het niet voldoen aan de door DWI gestelde voorwaarden voor het volle pond bij [verzoeker] heeft gelegd. Als vennoot van de vennootschap onder firma ging de naleving van de voorwaarden waaronder DWI de geldleningen had verstrekt en het voldoen van de schuld aan de boekhouder hem toch ook aan. Uit de processtukken blijkt niet van feiten en omstandigheden op basis waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat, ondanks dat [verzoeker] vennoot was, het niet voldoen van de schuld aan de boekhouder en de daaruit resulterende niet-naleving van de door DWI gestelde voorwaarde geheel buiten zijn macht hebben gelegen.
2.2.2 Met het in 12 gestelde wordt niet duidelijk gemaakt waarom [verzoeker] te goeder trouw is geweest op het moment dat de rekeningen van de boekhouder niet meer werden voldaan en deze daarin vervolgens aanleiding vond om zich op een retentierecht met betrekking tot de financiële bescheiden van de vennootschap onder firma te beroepen. Dat wordt niet anders door de door [verzoeker] gestelde latere pogingen om de schuld aan de boekhouder alsnog te voldoen.
2.3 Wat cassatiemiddel II betreft, het hof hoefde, anders dan in 15 en 16 wordt aangenomen, niet reeds in het feit dat het anders dan de rechtbank geen fraude ten aanzien van DWI aannam, aanleiding te vinden om het vonnis van de rechtbank te vernietigen. Dit feit impliceert immers niet, althans niet zonder meer, dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de schuld aan DWI te goeder trouw was. Bij de beoordeling daarvan speelt nl. mede een rol of [verzoeker] ook te goeder trouw was ten aanzien van het onbetaald laten van de boekhouder. Zoals hiervoor al opgemerkt, is door [verzoeker] noch bij de rechtbank noch bij het hof (voldoende) aannemelijk gemaakt dat hij te goede trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de schuld aan de boekhouder.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
1. De dagen 4 en 5 augustus 2010 waren een zaterdag, respectievelijk een zondag, waardoor de cassatietermijn pas op maandag 6 augustus 2010 verstreek.